Note 2 — Een woord aan mijn Landgenooten.1
Reading edition
En, Landgenooten, de schrijver dezer regelen ging, en zag. En toen hij thuis kwam, en zijn eigen kinderen liefkoosde en kuste—ach, hij wist niet waarom zoo anders dan gewoonlijk—toen hij daar verhalen moest van die bleeke holoogige dwergjes, die men fabriekskinderen noemt; en de zijnen daar dwong om te eten, neen, om slechts een enkele kruimel te proeven van den erbarmelijken kalkmeel-poffer, die het leven dier arme kleinen moet rekken voor een geestdoodenden arbeid van 12–15 uren daags. Toen, ja waarachtig, toen wist hij ’t wel wat hij schrijven zou; hij zou zijn stem voegen bij die van Coronel2, van Le Poole3 en anderen, en de uitkomst moest leeren of de eenvoudige vertelling4 inderdaad eenig gewicht zou kunnen leggen in de schaal der menschelijkheid.