Note 27 — 3
Reading edition
Eer het buskruit uitgevonden was, bestormde men de steden met reuzenstaltige werktuigen. Men beukte tegen de muren met een bok of ram. Dit was een allergrootste eiken balk welkers einde met een ijzeren ramshoofd beslagen was; men hing die balk in evenwicht aan ketens of touwen, en dezelve achteruit gehaald hebbende, liet men hem tegen de muur aanstoten; en zo verdelgde men allengskens de vestingswerken der steden. Ook had men hoge torens op wielen en met valbruggen voorzien; deze voerde men tot tegen de muren en liet de brug van boven op de wal vallen om over dezelve in de stad te lopen. Springalen waren werptuigen met dewelke men somtijds vijftig lange pijlen ineens, op een verwonderlijke verte werpen kon (balistes). Ook wierp men met een bijkans dergelijk werktuig zware stenen in de steden (catapulta).