Note 7 — 1
Reading edition
Zo heette men de landlieden die van een Heer afhanklijk waren. De vrijlaten betaalden zekere tollen en hadden vrijheden en eigen wethouders. Leenlaten, die een pachthoeve van de heer kregen, hem hiervoor als onderdanen moesten gehoorzamen, en zich tot leenarbeid en tot het opbrengen van zekere gelden moesten verplichten. Lijflaten, die met lijf en have de heer toehoorden, en met de landerijen verkocht en verhandeld werden. Men ziet dat deze de laagste stand des volks uitmaakten.