Note 76 — De Vrouwen1.
Albin de Kazimirski Biberstein translation
Tima Abn Obeirak, een zoon van Dhafar, en een van Mahomets makkers, stal een maliënkolder van zijnen buurman Kitâda Ebn al Noman, verborg dien in eene mand met meel en verkocht dit bij een jood, Zeid Ebn al Samin genaamd. Daar men Tima verdacht hield, vroeg men hem om den maliënkolder, maar hij ontkende er iets van te weten, men volgde echter het spoor van het meel, dat door eene opening der mand was gevallen, welk spoor naar het huis van Zeid leidde: daar vond men het gestolene en beschuldigde hem van den diefstal: Zeid bracht echter onderscheidene getuigen, die verklaarden dat hij den kolder van Tima had gekocht; de zonen van Dhafar kwamen daarop tot Mahomet, en verlangden, dat hij zijn makker tegen de beschuldiging verdedigen en Zeid veroordeelen zou. Daar hij nu eenigszins gedwongen was daaraan toe te geven, werd deze plaats geopenbaard, waarin zijn onbezonnen voornemen gelaakt en hem geboden werd, niet te diens nadeele en volgens zijne neiging, maar volgens den aard der zaak te oordeelen (Al Beidâwi, Jallalo’ddin, Yahya).