Note 2 — De Landverhuizing1.
Albin de Kazimirski Biberstein translation
Het hier bedoelde volk waren de Joden van den stam van Al Nadir, die te Medina woonden, en die, toen Mahomet van Mekka daarheen vluchtte, hem beloofden onzijdig te blijven, tusschen hem en zijne tegenpartij, waartoe zij een verdrag met hem sloten. Toen hij den slag van Bedr had gewonnen, beleden zij, dat hij de profeet was, in de wet beschreven; maar na zijne nederlaag te Ohod veranderden zij van gevoelen. Caab Ebn al Ashraf vormde een verbond met Aboe Sofian, dat zij beiden bezwoeren. Mahomet rukte daarop in het vierde jaar der hedjira tegen al Nadir op, en belegerde hunne vesting. Na zes dagen capituleerden zij, en werd het hun vergund te vertrekken, op voorwaarde, dat zij de plaats geheel zouden ontruimen. Volgens sommigen, begaven zij zich daarop naar Syrië, volgens anderen naar Khaibar en Hira (Al Beidâwi, Jallalo’ddin. Zie Abulf. vit. Moh. cap. 35). Dit was de eerste landverhuizing. De tweede viel eenige jaren later voor, gedurende de regeering van Omar, toen deze khalif degenen verbande, die te Khairbar hadden gewoond, en hen dwong Arabië te verlaten (Idem Interpp.).