← Table of contents
De Koran

Note 45 — De Koe1.

Albin de Kazimirski Biberstein translation

De Joden hadden Mozes gevraagd, een moordenaar te ontdekken. Hoe daartoe te geraken? Mozes gebood eene koe te slachten, hetwelk oppervlakkig in geen verband stond met den moord. Zie hier hoe deze overlevering luidt: Een zeker man liet bij zijnen dood aan zijnen zoon, toen nog een kind, een koekalf na, hetwelk in de woestijn rondzwierf, tot het op zekeren ouderdom was gekomen, toen de moeder den zoon verhaalde, dat de vaars hem toebehoorde, en hem bad haar te gaan halen en voor drie goudstukken te verkoopen. Toen de jongeling met zijne vaars op de markt kwam, hield hem een engel staande, die in een gedaante van een mensch was en bood hem zes goudstukken voor het dier, doch hij wilde het geld niet aannemen, zonder de toestemming zijner moeder te hebben gevraagd. Toen hij die had verkregen, keerde hij naar de markt terug, en ontmoette den engel, die hem thans het dubbele voor het dier bood, mits hij daarvan niets aan zijne moeder zeide; maar de jongeling sloeg het aanbod af, ging heen en maakte zijne moeder met dit aanbod bekend. De vrouw bespeurde dat het een engel was, bad haren zoon terug te keeren en hem te vragen, wat men met het kalf moest doen; waarop de engel den jongeling vertelde, dat binnen korten tijd de kinderen Israëls het dier tot elken prijs zouden willen koopen. Spoedig hierna geschiedde het dat een Israëliet, Hammiel genaamd, door een zijner verwanten was gedood, die om ontdekking te voorkomen, het lijk naar eene plaats had vervoerd, welke aanmerkelijk was verwijderd van de plaats waar de moord was geschied. De vrienden van den verslagene beschuldigden verschillende andere personen bij Mozes van den moord; maar de beschuldigden loochenden de daad, en daar er geen bewijs was om hen te overtuigen, gebood God eene koe, met die en die bijzondere kenteekenen, te dooden, maar aangezien er geene andere was, welke aan de beschrijving voldeed, dan het kalf van den wees, waren zij verplicht het dier te koopen voor zooveel geld als de eigenaar verlangde: volgens sommigen was dat voor het gewicht van het dier aan goud, en volgens anderen tien maal zooveel. Toen het dier geofferd was, en het lijk van den man, volgens het goddelijke gebod, met een gedeelte er van gestreken was, herleefde het: de man stond op, noemde den persoon die hem had gedood, waarop hij dadelijk weder dood nederviel. (Abul’feda). De geheele geschiedenis schijnt te zijn ontleend aan die van de roode vaars welke volgens het gebod der wet, door de Joden moest worden gedood, en waarvan de asch moest worden bewaard, om degenen te reinigen die een dood lichaam hadden aangeraakt (Num. XIX), en aan dat van de vaars, welke geslacht moest worden tot boete van een moordenaar, van wiens daad men niet zeker was (Deuteron. XXI, 1–9).

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings