Note 34 — De Dichters1.
Albin de Kazimirski Biberstein translation
Ten allen tijde hebben de Arabieren hunne taal met veel zorg gekweekt, de poëzie bemind en de dichters geëerd. Te Okadh, had ieder jaar, buiten de wekelijksche kermissen eene jaarmarkt plaats, die eene maand duurde. Daar, te midden der handelszaken, kwamen de dichters van alle punten van Arabië bij elkander. Zij zeiden hunne gedichten (Karidah) op, bezongen hunne daden en lotgevallen, en wedijverden in het behandelen van zulke onderwerpen. Dat was eene poëtisch tournooi, waarbij de talrijke toehoorders, zoowel stedelingen als Beduinen, de rechters waren. Aan den waardigste werd de belooning toegekend, zijne gedichten in den hooggeschatten tempel—den Caaba—in gulden letteren opgehangen te zien. Van daar worden de zeven gedichten, die voor Mahomet in zwang waren, modhahhabat (verguld) en moallakat (opgehangen) genoemd. Vooral muntten de Arabieren der woestijn in de poëzie uit; onder de tenten bleef de taal immer zuiverder en correcter bewaard. Dikwijls legde eene Beduïnsche moeder eene pijnlijke straf op aan haar kind, dat zich aan eene fout tegen de taalkunde had schuldig gemaakt. Mahomet was aan de stoutheid zijner dichterlijke taal een groot deel van den bijval schuldig, waarmede zijn streven werd bekroond. Hij heeft zelfs zijne volgelingen aangeraden, de werken der Arabische dichters te raadplegen, en daarin de uitlegging der duistere uitdrukkingen of woorden van den Koran op te zoeken. Waaraan is het dan toe te schrijven, dat de profeet die befaamde jaarmarkt van Okadh opgeheven, en het anathema over de dichters uitgesproken heeft? Ziehier de reden. De Arabieren der woestijn in het algemeen, en daaronder de dichters, hadden weinig neiging voor den nieuwen eeredienst: zij waren aan de genoegens van het nomadenleven gehecht en aan de moeielijkheden daarvan gewoon; zij waren onafhankelijk, onwillig een juk, welk dan ook, te dragen; dapper, edelmoedig, maar trotsch en wraakzuchtig, altijd een vijand nazettende, om eene beleediging te wreken; of op de hielen eener schoonheid van de woestijn; gestreng en wild als Schanfara, de vermaken van het vroolijke leven beminnende als Amrolkaïs; zorgeloos omtrent het toekomstige leven, twijfelaars en Epicuristen, en behoorden dus niet tot de eersten die den nieuwen profeet volgden. De dichters trachtten die gewoonten van het nomadenleven te bestendigen. Mahomet zag in dat negatieve en vernietigende instinct een grooten hinderpaal voor de vestiging zijner zedelijke en godsdienstige leer, en hij veroordeelt hen daarom. Voegt men hierbij, dat de satirieke geest van eenige hunne pijlen op den nieuwen profeet had doen richten, dan zal men zich niet verwonderen over het oordeel dat hij over hen uitbrengt. Eenige geschiedschrijvers beschuldigen Amrolkaïs, satyren tegen Mahomet te hebben geschreven, welke laatste, op zijne beurt, een dichter Lebid, een nieuwen bekeerling, zou opgedragen hebben, daarop te antwoorden. De heer de Slane, die de gedichten van Amrolkaïs heeft uitgegeven, bestrijdt deze meening; dat Amrolkaïs en Lebid betreft, is het echter niettemin waar, dat Mahomet eenige gedienstige dichters te zijner beschikking had, en de verzen 227 en 228 zinspelen daarop. De dichters waren Lebid Ebn Rabia, Abda’llah Ebn Rawaha, Hassan Ebn Thabet en de twee Caabs. Eens zeide hij tot Caab Ebn Malec: Bestrijd hen (de dichters) met uwe satyren; want ik bezweer het u bij hem die mijne ziel in zijne handen houdt, de satyren verwonden meer dan de pijlen.