Note 42 — De Bij1.
Albin de Kazimirski Biberstein translation
Deze vier laatste woorden werden bijgevoegd met het oog op het gebeurde met Ammar Ebn Yasa en sommige anderen, die, toen zij door de Koreïshieten waren gegrepen en gemarteld, hun geloof uit vrees verlieten, hoewel hunne harten niet met hunne monden instemmen (Al Beidâwi, Al Zamakhshari, Yahya). Het schijnt, dat Ammar de standvastigheid niet bezat van zijne ouders Yasar en Sommeya, die hetzelfde vonnis op denzelfden tijd met hunnen zoon ondergingen, maar die standvastig weigerden te herroepen, en beiden ter dood werden gebracht. De ongeloovigen bonden Sommeya tusschen twee kameelen, en, staken eens lans door hare schaamdeelen (Al Beidâwi). Toen Mahomet het bericht werd gebracht, dat Ammar het geloof had verloochend, zeide hij, dat het niet kon zijn; want dat Ammar vol van het geloof was, van de kruin zijns hoofds tot de zool zijner voeten, daar het geloof met zijn vleesch en bloed vermengd en in hem verlichaamd was. Toen Ammar daarop zelf weenende tot den profeet kwam, veegde hij zijne oogen af en zeide: Wat was uwe misdaad, indien zij u dwongen? Maar hoewel het hier wordt gezegd, dat zij die alleen schijnbaar afvallig worden, om doop of marteling te ontgaan, op Gods vergiffenis mogen hopen, is het echter thans eenparig door de Mahomedaansche leeraars aangenomen, dat het verdienstelijker en aangenamer in de oogen van God is, met moed en standvastigheid in het ware geloof te volharden, en eerder den dood te ondergaan, dan, al zij het ook slechts met woorden van dat geloof afstand te doen. Ook ontbreken de martelaars in den ergeren zin des woords niet aan den Mohamedaanschen godsdienst, waarvan wij hieronder, behalve het hierboven medegedeelde, nog twee voorbeelden zullen geven. Het eene is van Khobair Ebn Ada, die verraderlijk aan de Koreïshieten verkocht, en daarna door hen op eene afschuwelijke wijze ter dood gebracht werd, door verminking en door hem zijn vleesch stuksgewijze af te snijden. Toen hem te midden dezer martelingen gevraagd werd, of hij niet zou wenschen, dat Mahomet in zijne plaats ware, antwoordde hij: Ik zou niet willen wenschen bij mijn gezin, mijn vermogen en mijne kinderen te zijn, op voorwaarde, dat Mahomet, zij het ook slechts door een doorn, zou worden geprikt. (Ebn Sohohmah). Het ander voorbeeld is dat van een man, die door Moseilama bij de volgende gelegenheid werd ter dood gebracht. Die valsche profeet had namelijk twee van Mahomets volgelingen gegrepen. Hij vroeg aan een van hen, wat hij van Mahomet zeide: De man antwoordde daarop, dat deze Gods gezant was. En wat zegt gij van mij, voegde Moseilama er bij, waarop hij antwoordde: Gij zijt mede Gods gezant, waarop hij onmiddellijk in vrijheid werd gesteld. De andere persoon, die door Moseilama werd gegrepen, gaf hetzelfde antwoord op de eerste vraag, maar weigerde iets op de tweede te zeggen: hij werd daartoe drie verschillende malen aangemaand, maar gaf voor doof te zijn, en werd daarom gedood. Men verhaalt dat Mahomet, toen hem het gebeurde met deze mannen werd medegedeeld, zeide: De eerste hunner nam toevlucht tot Gods barmhartigheid, maar de laatste beleed de waarheid en zal daarvoor zijne belooning vinden (Al Beidâwi).