← Table of contents
De Koran

Note 41 — De Bij1.

Albin de Kazimirski Biberstein translation

Dit was eene groote tegenwerping, welke de bewoners van Mekka omtrent de autoriteit van den Koran maakten; want toen Mahomet, als een bewijs voor den Goddelijken oorsprong, er bij bleef volharden, dat het een mensch, zoo geheel ongeleerd als hij zelf, geheel onmogelijk was, zulk een boek samen te stellen, hernamen zij: dat hem daartoe een of meer personen hunne hulp hadden verleend. De overleveringen verschillen echter nopens den persoon of de personen, die voornamelijk daarvan verdacht gehouden werden. Eene zegt dat het Jabar was, een Griek, de bediende van Amer Ebn al Hadrami, die goed kon lezen en schrijven (Al Zamakhshari, Al Beidâwi, Yahya): een ander zegt, dat het twee slaven, Jabar en Yesar waren, die het ambacht van zwaardvegers te Mekka uitoefenden, en gewoon waren den Pentateuchus en het Evangelie te lezen, en Mahomet dikwijls onder hunne toehoorders telden, als hij langs dien weg kwam (Al Zamakhshari, Al Beidâwi, Zie Prideaux. Life of Moh. p. 32). Een ander verhaalt ons, dat het zekere Aish of Yaish was, een knecht van al Haweiter Ebn Abd al Uzza, die een zekeren graad van kennis verworven en het Mahomedanisme omhelsd had (Al Zamakhshari, Al Beidâwi). Een ander weder veronderstelt, dat het zekere Kais, een christen, wiens huis door Mahomet werd bezocht (Jallalo’ddin); nog een ander, dat het Addas was, een dienstknecht van Otha Ebn Rabia (Al Zamakhshari, Yahya), en een ander, dat het Salman, de Perziër was. Overeenkomstig sommige christelijke schrijvers (Ricardi Confut. Legis Saracenicae, c. 13. Joh. Andreas, de Confus. Sectae Mahometanae, c. 2. Zie ook Prid. Life of Moh, p. 33, 34), zou Abdallah Ebn Salam, een Jood, die zeer bevriend met Mahomet was (welke door den een, overeenkomstig den Hebreeuwschen tongval, Abdias Ben Salon en door een ander Abdala Celen, wordt genoemd) hem in het samenstellen zijner openbaringen geholpen hebben. Deze Jood wordt door Dr. Prideaux verward met Salman, den Perziër, die een geheel verschillend persoon was, zooals door schrijvers uit den lateren tijd (Gagnier not. in Abulf. Vit Moh. p. 74 en Sake, the Koran) is opgemerkt. Het is dus niet ongepast, met het oog op hetgeen later nopens Salman zal worden medegedeeld, hierbij een kort uittreksel te doen kennen van zijne levensgeschiedenis, zooals die door hem zelven wordt medegedeeld. Hij behoorde tot eene goede familie van Ispahan, die in zijn jeugdigen ouderdom den godsdienst van zijn land verliet om het Christendom te omhelzen. Toen hij in Syrië reisde, werd hem door zekeren monnik van Amurië aangeraden, naar Arabië te gaan, waar men, omstreeks dien tijd, de verschijning van een profeet verwachtte, die den godsdienst van Abraham zou bevestigen, en dien hij onder anderen ook zou kennen door het zegel der profecy tusschen zijne schouders. Salam deed die reis en ontmoette Mahomet te Koba, waar hij zich gedurende zijne vlucht naar Medina ophield. Hij bevond spoedig dat deze de persoon was dien hij zocht, en beleed den Islam (Ex Ebn Ishak. Zie Gagnier, not in Abulf. Vit. Moh. p. 74). Het algemeen gevoelen der christenen is echter, dat de voornaamste hulp, die Mahomet bij het samenstellen van zijn Koran genoot, van een Nestoriaanschen monnik was, Sergius genaamd, die verondersteld wordt dezelfde persoon te zijn als de monnik Boheira, met wien Mahomet op jongeren leeftijd eenigen omgang te Bosra had, waar die monnik zijn verblijf hield (Zie Prid. t. a. pl. 35, enz. Gagnier, t. a. pl. p. 10, 11. Marrac. De Alcor, p. 37). Om deze veronderstelling te staven, is eene plaats van een Arabisch schrijver aangevoerd (Al Masudi), die vermeldt, dat de naam van Boheira, in de werken der christenen Sergius is, doch dit is slechts eene veronderstelling, en een ander (Abul Hasan al Becra) verhaalt, dat zijn ware naam Saïd, of Felix, was en zijn toenaam Boheira. Maar hoe het ook zij, indien Boheira en Sergius slechts een en dezelfde persoon waren, dient men te weten, dat men bij de Mahomedaansche schrijvers niet de minste aanduiding vindt, dat hij ooit zijn klooster verliet om naar Arabië te gaan, zoo als door de christelijke schrijvers wordt beweerd; en zijne kennis met Mahomet te Bosra viel te vroeg in, om de meening te staven, dat hij hem bij het vervaardigen van den Koran zou hebben geholpen, hetgeen lang daarna geschiedde; doch het is mogelijk, dat Mahomet door zijne gesprekken met hem eenige kennis van het christendom en van de schriften hebbe verkregen, welke door hem bij den Koran zijn gebruikt. Uit het antwoord op deze plaats van den Koran gegeven, op de tegenwerping der ongeloovigen; zijnde, dat de persoon, die door hen verdacht wordt gehouden, de hand in den Koran te hebben gehad, eene vreemde taal sprak, en dus met geen schijn van mogelijkheid verondersteld kan worden bij het samenstellen van een stuk in de Arabische taal, en wel met zulk een groote sierlijkheid te hebben geholpen, is het duidelijk dat die persoon geen Arabier was. Het woord Ajami dat hier is gebruikt, beteekent eene vreemde of onbeschaafde taal in het algemeen; maar de Arabieren passen het meer bijzonder op het Perzisch toe; waaruit door sommigen de gevolgtrekking is gemaakt, dat Salman de bewuste persoon was. Indien het echter waar zij, dat hij niet tot Mahomet kwam dan na de Hedjira, zoo kan hij ook de hier bedoelde man niet zijn, of wel dan moet dit vers, in strijd met het algemeene gevoelen, te Medina zijn geopenbaard.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings