Note 1 — III. De Islam. Algemeen overzicht.
Albin de Kazimirski Biberstein translation
Mahomet verliet deze wereld, zonder ook slechts de minste bepaling omtrent zijne opvolging gemaakt te hebben. Wij vinden niet alleen geene plaats in den Koran, welke over den toestand van het rijk na zijnen dood handelt, maar ook geene authentieke, mondelinge overlevering, zoo als reeds uit de vergezochte bewijzen van iedere partij voor hun recht op het khalifaat blijkt; immers of Mahomet vermeed, in het geheel van zijne vergankelijkheid te spreken, en de verzen die hem sterfelijk noemen, zijn door Aboe Bekr tusschen gevoegd, of hij waagde het niet, door bevoorrechting der eene partij zich de andere tot vijand te maken. Het gold namelijk niet alleen tusschen Ali en Aboe Bekr te kiezen, en zijne geliefde dochter Fatima of zijne vrouw Aïsha—die vol intrigues was—in hare hoop teleur te stellen, maar ook tusschen de met hem uitgeweken burgers van Mekka en die van Medina, aan wier bescherming en bijstand hij de uitbreiding zijner macht had te danken. Intusschen was het ook mogelijk, dat hij zich in het algemeen niet gerechtigd achtte, in een land, waar de republikeinsche regeeringsvorm steeds de overhand had, eene erfelijke monarchie in te stellen, en dat hij daarom liever zweeg, in de verwachting, dat de beste zijner makkers zich wel den weg tot de heerschappij zoude banen. Hoe het zij, in geen geval mag de erfelijk monarchale, en nog minder de volstrekt despotische regeeringsvorm der Muzelmansche rijken, aan Mahomet zelf, of aan den door hem gestichten godsdienst worden toegeschreven zoo als dit dikwijls door Europeesche geleerden is geschied. Mahomet zelf wilde in het geheel niet als wereldlijk heerscher maar slechts als profeet worden aangezien. Toen hij, bij de verovering van Mekka, te midden der bondgenooten en uitgewekenen Abel Sofaïn voorbijtrok en deze tot Abbas zeide: “bij God, het rijk van uwen neef is groot,” hernam Abbas: “Hij is een groot profeet.” Daar Mahomet zich echter de laatste profeet noemde, zoo kan ook dan na hem geen sprake zijn van een goddelijk recht op eene geestelijke macht. Dit blijkt ook uit het eigen gedrag van Aboe Bekr bij de keuze der khalifen, die in het algemeen slechts van de voorrangen der uitgetrokkenen sprak en geene eigene rechter deed gelden, ja zelfs Omar of Aboe Ubeida tot khalif voorstelde. Was nu ook deze voorstelling misschien niet ernstig gemeend, omdat hij te voren wist, dat beiden de heerschappij bij zijn leven niet zouden overnemen, dan bewijst dit toch ten minste, dat de hoofden van het volk en geen aangeboren rechten over de opvolging zouden beslissen. Als wetgever kon een Muzelmansch vorst in het geheel geene macht hebben; want de Koran zou de eeuwige wet der Muzelmannen blijven, en was zeker ook in den eersten tijd des Islams volkomen toereikend. In den Koran echter wordt niet slechts het leven der geloovigen gewaarborgd, maar ook hunne bezittingen. Het eerste kan slechts den moordenaar ontnomen worden, en van het laatste kunnen alleen de wettelijk bepaalde belastingen gevorderd worden. De verrichtingen van het opperhoofd van den staat bestonden dus, naar het begrip van den Koran eenvoudig in het waken voor de navolging der wet, in de handhaving der militaire macht, in haar gebruik, tot bevestiging en uitbreiding van het geloof. Mahomet dus verantwoordelijk te maken voor den regeeringsvorm, welke zijne opvolgers hebben ingevoerd, of zelfs voor de gruwelen, door enkele Moslemische heerschers gepleegd, ware nog veel onbillijker, dan indien wij het despotismus van verschillende Christelijke staten uit het Evangelie wilden afleiden. Gelijk overigens in het Christendom dikwijls is beproefd geworden, de erfelijke en onbegrensde macht op de Heilige Schrift te doen steunen1, zoo bekwam ook in den Islam de wereldlijke macht reeds vroeg eene godsdienstige wijding, en de leer van het Imamaat vormt een tegenhanger van die der kerk. Terwijl intusschen de factische khalifen, namelijk de drie eersten, zich nog meer als wereldlijke dan als geestelijke navolgers van Mahomet beschouwden, en hun recht meer op de keuze, of minstens op de overeenstemming der Muzelmannen steunden, grondden de aanhangers van Ali en zijn geslacht reeds onder de heerschappij van Othman, bijzonder echter gedurende den oorlog met Muawia en diens overwinning, hunne aanspraken op een vormelijk erfrecht. De Imams werden toen als bijzondere door God verlichte menschen aangezien, en ten laatste zelfs als eene incarnatie der Godheid vereerd en aangebeden. De versmade, ware Imams bleven zelfs na hunnen dood een voorwerp van vereering en hoop voor hunne partij, daar spoedig ook het geloof aan hunne, eens plaats te hebben terugkeer tot herstelling van het recht en der waarheid zich vormde, even als bij de Joden ten opzichte van den Messias.