← Table of contents
De Koran

Note 21 — II. De Koran. Algemeen overzicht.

Albin de Kazimirski Biberstein translation

Tot de nog overige drieëntwintig Medinasche Soeras overgaande, volgen wij het algemeene gevoelen, en noemen de 2e Soera (die van de Koe) als de eerste van Medina, omdat Mahomet in den eersten tijd voorzeker niets belangrijkers te doen kon hebben dan de Joden, die te Medina in grooten getale aanwezig waren en grooten invloed bezaten, te zijnen voordeele te stemmen, en dit wel te meer, nademaal hij te Mekka zich dikwijls op de getuigenis der Joden beroepen had21. Dit is het thema, waarover namelijk het eerste gedeelte van dat hoofdstuk loopt. Hij toont de Joden van Medina uit hunne eigene geschiedenis aan, hoe het hun, zelfs toen Mozes onder hen was, aan waar geloof en vertrouwen had ontbroken, en stelt Abrahams natuurlijken godsdienst tegenover het strenge Mozaïsme en het van dogmas zoo zeer vervulde Christendom. Hij kent geene andere verboden spijzen dan bloed (wat overigens ook in het vroegere Christendom verboden was) aas of krengen, varkensvleesch en wat ter eere van eenigen afgod geslacht was22. En dit verbod komt ook reeds in Mekkasche hoofdstukken voor, in verband met verschillende andere gebruiken, die onder de bewoners van Mekka heerschten23. Ook schrijft hij in den eersten tijd geen ander gebod voor, dan het geloof aan God, engelen, opstanding, profeten en hunne openbaring; milddadigheid jegens armen, weezen, bloedverwanten, reizigers en slaven; gebed, vervulling van zijn woord en lijdzaamheid in het ongeluk. Op de richting des lichaams bij het gebed komt het niet aan; God is Heer van het Oosten en Westen24. Op deze algemeene leer der plichten, door Mahomet in den vroegsten tijd van zijn verblijf te Medina geopenbaard, volgden intusschen andere wetten, welke eerst in het tweede jaar verschenen. De oorlog tegen ongeloovigen wordt er nu bevolen en zelfs in de heilige maanden veroorloofd. Niemand mag zich echter in al te groote gevaren storten, en in zulke gevallen mag het gebed zelfs onder het rijden of gaan verricht worden, terwijl het anders ten deele staande, deels knielend gedaan wordt. Mekka wordt nu als de plaats aangewezen, waarheen men zich bij het doen van het gebed moet richten. Het genot van den wijn en de hasardspelen wordt zoo al niet bepaald verboden, dan toch ten minste gegispt. De maand Ramadhan wordt als vaste-maand bepaald. Ook worden in dien tijd eenige wetten ten opzichte van gezondheids-maatregelen en omtrent burgerlijke en lijfstraffelijke aangelegenheden bepaald. Van dien aard zijn de bepalingen omtrent de reiniging der vrouwen25; testamenten26, schuldverbintenissen27, woeker28, echtscheiding en rechten der vrouwen29, huwelijk met ongeloovigen30 en moord31 Alleen vers 192–199, welke de voorschriften omtrent de bedevaart bevatten, behooren voorzeker tot een lateren tijd, en wel waarschijnlijk tot het 6e of 7e jaar der hedjirah.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings