Note 25 — I. Levensschets van Mahomet.
Albin de Kazimirski Biberstein translation
Het laat zich moeilijk beslissen, of Mahomet lezen en schrijven kon. Het gedeelte van den Koran, waarin de engel Gabriël hem zegt: “Lees!” en zijn antwoord: “wat zal ik lezen?” zoude doen aannemen, dat hij kon lezen, terwijl de omstandigheid, dat hij weinige dagen voor zijnen dood, pen en inkt vroeg, om zijne meeste beschikkingen op te schrijven, grond schijnt te leveren tot het veronderstellen, dat hij schrijven kon. In allen gevalle en hoe het daarmee gelegen zij, bediende hij zich gaarne van zijne secretarissen, welke nederschreven wat hij hun voorzegde. Die geheimschrijvers waren Ali, Othman, Seïd, Obaï, Moawia. Wat nu eenige letterkennis betreft, gelijk die, op dat tijdstip, onder de Israëlieten en Christenen kon bestaan, zoo bezat hij deze niet, en kende van de heilige schriften dier beide godsdiensten alleen brokstukken, gelijk men ze in gesprekken of van hooren zeggen opdoet. Dit is dan ook oorzaak, dat eenige bijbelsche verhalen, welke door den Koran worden aangevoerd, verminkt en verward zijn, en dat het valsche en twijfelachtige er, bijna doorgaans, naast het ware en echte ligt. Overigens erkent Mahomet zelf, dat hij een ongeletterd profeet (ommi) is, die tot de ongeletterden gezonden was, hetgeen waarschijnlijk geschiedde om zijn karakter, als man die door den hemel bezield was, des te beter te doen uitkomen. Eenige Muzelmansche schrijvers wenden nochtans voor, dat het woord ommi (moederlijk, of gelijk men is als men uit het moederlijf komt, te weten: onwetend, ongeletterd), als het op Mahomet toegepast wordt, niets anders beteekent, dan dat hij geboortig was van Mekka, welke stad Ommoel-Koera of moeder der steden, genoemd wordt25. De eigen bekentenis, welke Mahomet bij herhaling van zijne gebrekkige kunde aflegt en van zijne onbekendheid ten aanzien der toekomst, zijn voor zijne metgezellen, en nog veel meer voor de latere geslachten, geen beletsel geweest, om hem de gaaf toe te schrijven, in de toekomst te lezen en mirakelen te doen. De godsdienstige overspanning, de ijver voor het uitbreiden van eenen godsdienst, die reeds grond had gewonnen, en ook het godsdienstbedrog—al welke oorzaken aanleiding geven tot zoodanige wonderwerken, welke in geene enkele der verkondigde godsdiensten ontbreken—hebben zich tot de onwetenden en lichtgeloovigen gewend en Mahomet als den bewerker van duizende mirakels doen voorkomen26. Daarbij bleef men echter zelfs niet staan. Toen, op de natuurlijke helling van eenen eeredienst in de ontwikkelingsperiode, de godsdienstige redetwisten over de leerstukken geopend werden; toen de Muzelmansche eerdienst met het joden- en christendom in aanraking kwam, werd men tot de verzekering gebracht, dat de Koran, die voor eene rechtstreeksche openbaring van God en zijn woord werd verklaard, eene zaak even eeuwig als God, en niet geschapen was.