← Table of contents
De Koran

Note 20 — I. Levensschets van Mahomet.

Albin de Kazimirski Biberstein translation

Tengevolge van dien vreedzamen tocht, welke Mahomet wist dienstbaar te maken aan het vermeerderen zijns aanziens in de oogen der Arabieren, en die oorzaak werd dat er vele en belangrijke bekeeringen plaats hadden, ondernam de profeet der Arabieren, die reeds door den glans eens vorsten omringd was, een’ krijgstocht tegen het Romeinsche keizerrijk, of om beter te zeggen tegen de Ghassanidisch-Arabische vorsten, die aan de Romeinen schatplichtig waren, en door Romeinsche troepen ondersteund werden. Een Muzelmansch leger, drie duizend man sterk en door zijn’ vrijgemaakten slaaf Seïd aangevoerd, toog naar Moeta, een vlek in het zuid-oostelijke uiteinde van Syrië, en had daar bloedige gevechten te bestaan tegen de Arabieren en Romeinen, die veel sterker in getal waren. De uitslag van dien oorlog was voor de Muzelmannen noodlottig. Nadat zij achtereenvolgens twee opperbevelhebbers hadden verloren, waren zij genoodzaakt naar Medina terug te trekken. Intusschen deed dat verlies Mahomets macht niet verzwakken; want eenige Bedouynsche stammen haastten zich het Islamisme te omhelzen en zich onder zijne banier te scharen; daaronder behoorde de stam Abs, waartoe de vermaarde held Antara20 had behoord. Mahomet, welke de afgezanten van dien stam ontving, zeide hun dat Antara, voor eenige jaren gestorven, de Bedouynsche held was, welken hij het sterkst had verlangd te zien. Om al den voorspoed in Arabië de kroon op te zetten, ontbrak Mahomet nog maar de vermeestering van Mekka. Daartoe deed zich in het achtste jaar der hedjira, eene gunstige gelegenheid op, toen de stam Khozaa, die Mahomets bondgenoot was door de overeenkomst, twee jaren vroeger te Hodaïbiia geteekend, door den stam Doïl (bondgenoot van Mekka) en door die van Mekka zelven werd aangevallen. Mahomet achtte zich daarvoor van alle verplichtingen ontslagen, en besloot dadelijk de meeste partij van die breuk te trekken; daarom wees hij de openingen der Koreïshieten af, ten aanzien eener voldoening en eener schikking. Hij vertrok uit Medina op den 10den dag der ramadhan van het achtste jaar der hedjira (630) aan het hoofd der Ansar en der Moehadjir, en waarbij onderweg zich de stammen kwamen voegen, die kortelings tot zijne leer waren overgegaan. Volgens Mahomets geschiedschrijvers beliep dat leger tien duizend man. Tien dagen later trok het Muzelmansche leger de heilige stad binnen, zonder dat er eenige verdediging plaats had en zelfs zonder veel wederstand; zóó geheim had men den beraamden tocht weten te houden, en zóó snel waren de bewegingen geschied; maar een troep Koreïshieten, die de Muzelmansche voorhoede bij het intrekken van Mekka aanviel, werd nedergesabeld en alleen Mahomets spoedige aankomst op de slagplaats was in staat, een groot aantal schuldelooze offers te sparen. Zeventien bewoners van Mekka werden van de algemeene kwijtschelding uitgesloten, en Mahomet gaf verlof hen te dooden, al waren zij ook in den Caaba verborgen. Mahomet begaf zich dadelijk naar den tempel, ging er zevenmalen omheen, en raakte met eerbiedigheid den zwarten steen met zijn’ mihdjan aan, zijnde dit een staf, die aan het eene einde omgebogen was. Hij vroeg vervolgens den sleutel van den tempel en drong in het binnenste door. Hij zag er beelden en voorstellingen van engelen, die op de muren geschilderd waren, eene houten duif die aan de zoldering was opgehangen en die vermoedelijk ontleend was, hetzij aan de Oud-Testamentaire vrededuif, aan de duif der Samaritanen, of misschien aan het zinnebeeld van het Nieuwe Testament; voorts een beeld, hetwelk men zeide dat van Abraham te zijn, en hetwelk de pijlen in de hand had, door middel van welken de Arabieren gewoon waren het lot te raadplegen. In den tempel waren drie honderd zestig afgodsbeelden vereenigd; naarmate Mahomet deze voorbijging, hief hij zijn mihdjan op, en na dat teeken verbrijzelde men die terstond, terwijl hij de woorden sprak: “De waarheid verscheen en de logen verdween.” Op het middaguur klom zijn bijzondere uitroeper, Belal genaamd, op den Caaba en verkondigde het uur van het gebed.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings