Note 17 — I. Levensschets van Mahomet.
Albin de Kazimirski Biberstein translation
De Arabieren, die de Israëlieten hadden hooren spreken van de te verwachten verschijning eens profeets, welke de geheele wereld aan zijn bestuur onderwerpen zou, en waarmede deze natuurlijk den te verwachten Messias bedoelden, voelden zich niet ongeneigd, het verhaal van de predikingen, door Mahomet te Mekka gehouden, gunstig op te nemen. De pelgrimstocht naar Mekka bracht hen gemakkelijk in betrekking met Mahomet, en ten gevolge van eenige enkele bekeeringen van Arabieren uit Yathrib, begon de nieuwe eeredienst er weldra talrijke aanhangers te bezitten. In het elfde jaar van Mahomets zending, hadden twaalf personen, die van Yathrib gekomen waren, met hem eene samenkomst op den berg Akaba, een’ heuvel in de nabijheid van Mekka, in welke bijeenkomst hij hun de hoofdpunten van zijn’ godsdienst ontvouwde en hen vermaande, die te volgen. Deze bijeenkomst is bekend onder den naam van de eerste eed van Akaba, omdat die twaalf personen daar zwoeren, de voorschriften door Mahomet ingeprent te volgen. Op dat tijdstip zijner zending vergde hij van zijne bekeerlingen nog niet, zich ter verdediging van zijn godsdienst te wapenen, maar het duurde niet lang of zij verbonden zich daartoe, en wel bij de volgende gelegenheid: in het volgende jaar, zijnde het twaalfde zijner zending, of het jaar 622, begaf eene karavaan van de inwoners van Yathrib zich naar Mekka; zij was samengesteld uit Muzelmannen en afgodendienaars. Onder begunstiging van den nacht, toen de afgodendienaars in diepen slaap waren gedompeld, hadden de Muzelmannen eene geheime samenkomst met Mahomet; daarin beloofden zij hem te ondersteunen en eene schuilplaats te verleenen, ja zij noodigden hem zelfs, zich bij hen te komen vestigen. “Als wij het leven voor u laten, wat zal dan onze belooning zijn?” vroegen zij hem. “Het Paradijs!” antwoordde Mahomet—“Maar als wij tot het welgelukken uwer onderneming bijdragen, zult gij ons dan niet verlaten om naar Mekka terug te keeren?”—“Nooit! Ik zal bij u leven en sterven!” hernam hij, en deze belofte werd met een’ handslag bezegeld. Tot eer van Mahomet dient men hier te doen opmerken dat deze belofte nimmer door hem gebroken, maar met de meeste eerlijkheid gehouden is, (wat ook de geschiedenis bevestigt) welke gronden en omstandigheden hem later daartoe ook mochten hebben uitgelokt. Dit was de tweede, of groote eed van Akaba ook de eed der vrouwen genoemd. Welke pogingen men ook moge hebben aangewend, om het verbond met de Arabieren van Yathrib zeer geheim te houden, werd het echter aan de Koreïshieten bekend, waarop deze besloten, zich van Mahomet te ontdoen. Nademaal Mahomet de mogelijkheid voorzag, dat er geweldige maatregelen konden worden genomen, drong hij bij vele Muzelmannen van Mekka aan, naar Yathrib uit te wijken. Deze Muzelmannen zijn bekend onder den naam van moehadjirs (uitgewekenen). Mahomet zelf, eindelijk, wist de waakzaamheid zijner vijanden te ontgaan, die al zijne stappen bespiedden, en verliet Mekka in de eerste helft van Juni des jaars 62217. Deze vlucht, hidjret genaamd, waarvan wij hedjira of hegira hebben gemaakt, is het aanvangspunt der Mahomedaansche jaartelling. Deze is nochtans zeventien jaren later, onder den Khalif Omar ingesteld. Op zijne vlucht werd Mahomet door Aboe Bekr vergezeld. De twee vluchtelingen, die door een’ troep Koreïshieten vervolgd werden, verborgen zich in eene grot van den berg Thour, op drie mijlen zuidelijk van Mekka gelegen. Reeds maakten de Koreïshieten, die hem vervolgden, zich gereed om er binnen te dringen, toen zij bemerkten, dat eene duif aan den ingang van het hol twee eieren had gelegd, en eene spin haar webbe had gesponnen. Daaruit maakten zij op, dat niemand kort geleden in die grot kon zijn doorgedrongen en verwijderden zich18. Mahomet kwam na eenige omwegen, ten noorden van Mekka, op den weg naar Yathrib, waar hij in het begin van Juli 622 aankwam, nadat hij te Koba, een dorp op twee mijlen afstands van Yathrib, den eersten steen voor de eerste Muzelmansche moskee had gelegd.