Note 13 — I. Levensschets van Mahomet.
Albin de Kazimirski Biberstein translation
De Koreïshieten, die door dit antwoord ongeduldig waren geworden, beschuldigden hem toen, dat hij alleen de weerklank van eenige Christenen was13, en het ontbrak in Mekka niet aan menschen, voor wie die voorgewende openbaringen des Hemels niets anders waren, dan een onsamenhangend weefsel van verhalen, die, èn wat vorm èn wat wezen betreft, veel minder beteekenden dan de godsdienstige boeken en zelfs dan de historische of poëtische geschriften der andere volken14. Volgens eenige levensbeschrijvers van Mahomet, zouden de Koreïshieten eene deputatie naar de rabbijnen van Yathrib (Medina) hebben gezonden, om hun Mahomet af te malen, hun een kort bericht over diens godsdienst te geven en om hun te vragen wat zij er van dachten. De rabbijnen zouden, volgens die levensbeschrijvers, geantwoord hebben: “vraagt hem, wie zekere lieden der verloopen eeuwen zijn, wier voorval een wonder vormt? Wie is de man die de grenzen der aarde ten oosten en ten westen heeft bereikt? Wat is de ziel? Antwoordt hij nu,” zouden zij gezegd hebben, “op die en die wijze, dan is hij werkelijk een profeet, zoo niet, dan is hij een bedrieger.” Toen de afgezondenen te Mekka terug waren gekeerd, deden zij Mahomet de drie vragen; hij beloofde des anderen daags te antwoorden, maar uithoofde hij vergeten had daarbij te voegen: als het Gode behaagt, strafte God hem en deed hem veertien dagen op die openbaring wachten, gedurende welken tijd de ongeletterde man daarop eenig antwoord wist in te winnen. Na verloop van veertien dagen eindelijk antwoordde hij door de geschiedenissen der zeven slapers en van Alexander de Groote (hoofdstuk XVIII). Wat de vraag ten aanzien der ziel betrof, antwoordde hij, juist ter snede, dat God alleen wist, wat deze was15. Zijne levensbeschrijvers zeggen, dat die zegepraal van Mahomet op de ongeloovigen de teleurstelling en wrok der Koreïshieten ten top voerde, en zij toen een’ ieder verboden, de predikingen des profeets aan te hooren. Door de strenge maatregelen die men tegen de aanhangers van den nieuwen eeredienst nam, werd een zeker aantal (in het vijfde jaar van Mahomets zending, zijnde in het jaar 615) weldra gedwongen, Mekka te verlaten en een toevluchtsoord in Abyssinië te zoeken. Daar werden zij met welwillendheid door den koning van Abyssinië ontvangen, die christen was. Spoedig werd de eerste landverhuizing door eene tweede gevolgd: in het geheel bedroegen die twee groepen honderd vijftien personen van beiderlei geslacht. De Koreïshieten zonden eene deputatie naar Abyssinië, om de uitlevering dier uitgewekenen te vragen; maar de koning weigerde dit, terwijl hij hun gedrag in zoodanige uitdrukkingen lof toezwaaide, dat zij, volgens de Muzelmansche geschiedschrijvers, tot een bewijs konden strekken voor zijn heimelijk overhellen naar den Islam.