Note 1 — Aanteekeningen.
L. A. J. (Leendert Alexander Johannes) Burgersdijk translation
Neemt men aan, dat het stuk in 1591 of 1592 geschreven is, dan zal men der waarheid zeker zeer nabij zijn. Verder kunnen wij als zeker aannemen, dat Sh. bekend was met het blijspel Menæchmei van den ouden Romeinschen dichter Plautus, en daaruit aanleiding putte om dit stuk te schrijven. Wel is het oude blijspel niet vóór 1595 in het Engelsch verschenen, maar Shakespeare was hoogstwaarschijnlijk het Latijn genoeg machtig om Plautus in het oorspronkelijke te lezen. Er was in Stratford een Grammarschool, dus een school, waar het Latijn hoofdvak was; deze werd ongetwijfeld door Shakespeare bezocht en men mag gerust vermoeden, dat hij zijn meesters geen oneer zal hebben aangedaan en, om Plautus te leeren kennen, niet behoefde te wachten op het verschijnen eener gebrekkige vertaling; zijn Venus en Adonis, en al zijn oudere stukken leggen getuigenis af, dat hij het Latijn vrij goed machtig was en de Latijnsche schrijvers, zooals Ovidius en Plautus, in het oorspronkelijke las; in zijn latere stukken laat hij die kennis minder uitkomen, maar men kan er toch op velerlei wijze de sporen van opmerken, tot in den zinsbouw en de beteekenis, die hij somwijlen aan de woorden toekent1. De folio-uitgave maakt het bovendien hoogst waarschijnlijk, dat Sh. Plautus’ Menæchmi in het Latijn gelezen heeft: de Antipholus van Ephesus heet er Sereptus, een blijkbare fout van den afschrijver of zetter voor Surreptus, “de gestolene”, het woord, waarmede in Plautus’ stuk, de eene broeder telkens wordt aangeduid, gelijk hij ook in de inhoudsopgave, het argumentum, driemaal zoo genoemd wordt; de andere broeder heet in Sh.’s folio-uitgave nu eens erotes, dan weder errotes, een dergelijke fout voor erraticus, de zwervende, dus de reiziger, die zijn broeder overal gaat zoeken.