Note 1 — HOOFDSTUK XXIII.
Reading edition
Op zoo’n vreeselijke ontvangst hadden de Zoeloe’s dan ook niet gerekend, en zij draalden met een nieuwen aanval. Toen werd het groote lagerhek ontsloten, en Bart Pretorius trok met acht ruiters uit het lager, reed over het bloedige slagveld heen, naderde het Zoeloeleger tot op een speerworp afstands, en terwijl hij de roode bloedvlag liet wapperen, riep hij de Zoeloe’s op ten strijde, als het mannen waren en geen lafaards!1