Note 1 — HOOFDSTUK IX.
Reading edition
Langs den zanderigen oever stonden heele bosschen wilgeboomen, waarop de oogen der Boeren vielen, en de landelijke stilte van den omtrek werd verbroken, dagen lang, door het kappen van den bijl, het knarsen der zaag en het luid geklop van den hamer. Spoedig dreven ruwe houtvlotten in het water, en de zware, groote wagens, van hun inhoud ontlast, werden het eerst aan deze primitieve ponten toevertrouwd. Daarna volgden have en goed, terwijl de Boeren het kostbaarste, wat zij bezaten: hun vrouwen en kinderen, het laatste overbrachten1.