← Table of contents
De grondbeginselen der Nederlandsche spelling

Note 4 — Tweede afdeeling. (continued 4)

Reading edition

Wij gevoelen geen berouw over onze keus, sedert een ijverig voorstander der gch leert, dat men de beide letters, de g zoowel als de ch, moet laten hooren, en overeenkomstig den aard der g den keelklank zachtelijk laten aanvangen, om dan allengs tot ch te verscherpen (Tijdspiegel van Juni 1863): iets dat niet mogelijk is zonder een hoogst onwelluidenden klank voort te brengen. Bij de spelling met de enkele ch zal niemand tot zulk eene uitspraak vervallen; wij meenen dus met recht hier den Regel der Welluidendheid te hebben doen gelden.—De bewering van dien zelfden recensent, dat de woorden als lachen enz., met de enkele ch geschreven, niet te spellen zijn, heeft ons zeer bevreemd. In de vorige eeuw zou dat schijnbaar ongetwijfeld indruk hebben gemaakt, en misschien ook voor ons reden genoeg geweest zijn om de gch te behouden. Thans zal ieder, die behoorlijk spellen kan, die de zoogenaamde klankmethode kent, in die bewering niets meer dan eene drogreden zien. Hij weet, dat men thans bij het spellen, gelijk de aard der zaak medebrengt, iedere letter met dien klank noemt, dien hij in het woord heeft, en spreekt, als hij b.v. bèdstédē spelt, de drie e’s op drie verschillende wijzen uit: è, é en ē. Hij zal dus dienovereenkomstig l, à, ch, ē, n zeggen, en zoodoende ook zonder g den juisten klank treffen, evengoed als hij d, à, g, dag zegt, en niet d, á, g, hetgeen daag zou opleveren. Wat geschiedt, kan geschieden.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings