← Table of contents
De grondbeginselen der Nederlandsche spelling

Note 2 — Tweede afdeeling. (continued 4)

Reading edition

Voor het Sanskrit en Gothisch is die stelling geene bloote hypothese, tot wier erkenning men alleen door gevolgtrekkingen gedwongen wordt. In de eerstgenoemde taal komen wel twee letterteekens voor, die thans als e en o worden uitgesproken, doch uit alles blijkt ten klaarste, dat e vroeger ai en o vroeger au geweest is; zie Bopp, Vergleichende Grammatik. § 2. Reeds eene vergelijking der letterteekens voor âi = aai en âu = aau met die voor ê = ai en ô = au leert dit duidelijk.

In het Gothisch komen insgelijks twee letterteekens voor, die op ε en Ω gelijken, en daarom in Latijnsch letterschrift door e en o voorgesteld worden, maar deze stemmen niet overeen met de e’s en o’s in de overige Germaansche talen: aan het eerste, ofschoon het een langen i-klank voorstelde, beantwoordt onze lange â in daad, jaar, slaap; en de Friesche ie in died, jier, sliep; aan het tweede onze oe in boek, goed, stoel; terwijl bovendien blijkt, dat die klanken uit tweeklanken, meestal uit ia en ua, soms ook uit ai en au samengesmolten zijn.

Dat ook het Oudnoordsch aanvankelijk geene e’s noch o’s bezat, blijkt uit de zoogenaamde Helsingrunen, in welk alphabet geene andere klinkers dan a, i en u voorkomen; zie U. W. Dieterich, Runen-sprachschatz, blz. X.

Er zijn wel is waar schrijvers, die beweren, dat Ulfila door ai en au onze e- en o-klanken heeft voorgesteld. Zij gronden dat beweren op de wijze, waarop hij in Grieksche woorden ε en ο heeft weergegeven. Dit heeft echter niet verhinderd, dat Grimm, dien iedereen wel voor den grootsten kenner der Germaansche talen zal houden, steeds is voortgegaan ai en au als ware tweeklanken te beschouwen. In het vorige jaar is door F. Dietrich in een afzonderlijk werkje, Die Aussprache des Gothischen, aangetoond, dat ai en au ook nog lang na Ulfila echte tweeklanken waren, en door niet-Gothen als zoodanig werden gehoord en opgevat; dat de Gothen de vreemde eigennamen naar hunnen tongval wijzigden, en dat het aannemen van ai = ε en au = ο toch volstrekt niet toereikend is om hunne spelling van de Grieksche woorden te verklaren.

Eene vergelijking van de Gothische schrijfwijze met de gelijktijdige van het Grieksch en Latijn geeft de tegenstrijdigste uitkomsten, en bevestigt slechts, wat door deskundigen erkend wordt, namelijk, dat de uitspraak en spelling der beide laatstgenoemde talen in het Gothische tijdperk tamelijk onzeker en verward was. Indien men deze spelling tot maatstaf van die van het Gothisch wilde aannemen, zou men tot het ongerijmde besluit moeten komen, dat goth. a te gelijker tijd als α, ε en au,—i als ι, ε, ει, η, υ en χ,—u als ου, ο, ω enz. klonk.

Het onregelmatige gebruik der klinkers en tweeklanken, waaraan men zooveel gewicht hecht, bestond alleen bij woorden uit het Grieksch en Latijn overgenomen, inzonderheid bij eigennamen; daarentegen kan men in de spelling van het Gothisch zelf, inzonderheid ten opzichte van de klinkers, eene regelmaat opmerken, die verwonderlijk mag heeten, als men bedenkt dat de Gothen kennelijk geheel naar de uitspraak, en niet naar grammatische regels, te werk gingen.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings