Note 1 — Leiden, D. Noothoven Van Goor. 1873.
Reading edition
Bij het naderen van den tijd, waarop de Redactie met de uitgave van het Nederlandsch Woordenboek een aanvang hoopt te kunnen maken, heeft zij zich verplicht geacht, vooraf nauwkeurig het spellingstelsel te bepalen, dat in het Woordenboek zal worden gevolgd. Te midden der vele twijfelingen en onzekerheden, die nog altijd in de spelling onzer moedertaal bestaan, bij het verschil van gevoelen onzer taalkundige schrijvers omtrent een aantal min of meer belangrijke punten, was het volstrekt noodzakelijk een vast plan te beramen en voor alle bijzondere gevallen eene bepaalde keuze te doen. Te meer gevoelde de Redactie hare verplichting, om hierin met de uiterste behoedzaamheid en niet dan na rijpe overweging te werk te gaan, omdat het Woordenboek, dat zij eenmaal tot stand hoopt te brengen, uit den aard der zaak niet zonder invloed zal blijven en derhalve aan de bewerkers eene dubbele verantwoording oplegt. Het algemeene beginsel, dat bij deze regeling der orthographie tot leidraad moest verstrekken, kon aan geen twijfel onderhevig zijn. Het was aangewezen in het Ontwerp des Woordenboeks, door den Voorzitter der Redactie in de vergadering van het Derde Taal- en Letterkundig Congres te Brussel voorgedragen, en door de algemeene goedkeuring bekrachtigd. Daarin was bepaald, dat de in Noord-Nederland aangenomene spelling tot grondslag zou worden gelegd, behoudens zoodanige wijzigingen, als de tegenwoordige stand der wetenschap noodzakelijk scheen te vereischen. De Redactie heeft gemeend, zich aan dat beginsel, als het meest practische en bruikbare, te moeten houden. Overtuigd, dat groote veranderingen in de spelling eener beschaafde en gevestigde taal, al mochten zij op zich zelve wenschelijk zijn, toch nimmer kans hebben om algemeen te worden aangenomen, en juist daardoor de zoo wenschelijke eenparigheid en vastheid der taalvormen in dreigend gevaar brengen, acht zij het boven alle bedenking raadzaam, de bestaande en erkende spelling te eerbiedigen, voor zooverre zij met de uitspraken eener gezonde taalkennis in overeenstemming is. Met nog sterkeren aandrang dan bij de voordracht van het Ontwerp des Woordenboeks geschieden kon, mag de Redactie dit beginsel thans aanbevelen, omdat de in Noord-Nederland gebruikelijke spelling juist in de jaren, die sedert het Brusselsche Congres verstreken, ook door de meeste letterkundigen van Zuidelijk Nederland allengs is aangenomen, zoodat werkelijk, in de hoofdpunten althans, in het geheele Nederlandsche taalgebied eene tot dusverre ongekende eenparigheid is gevestigd. Het zou dwaas en roekeloos zijn door gewaagde hervormingen die overeenstemming te verbreken, en de eenheid der taal van Zuid en Noord ook in den uiterlijken vorm—dat onschatbare voorrecht, dat zonder eenigen dwang, maar alleen door vrije overtuiging en zucht tot verbroedering langzaam verkregen werd—onbedacht en moedwillig op te offeren aan onpractische stelselzucht of ontijdig nieuwigheidsbejag. En waarlijk, bij de aanbeveling van het bestaande, als grondslag van de regeling der spelling voor het Woordenboek, behoeft de Redactie aan hare wetenschappelijke overtuiging geen geweld aan te doen, noch, in het belang der eenparigheid, eenige antipathie te overwinnen. Integendeel aarzelt zij niet te verklaren, dat werkelijk de aangenomene spelling over het algemeen alle aanbeveling verdient. Bij herhaalde ernstige overweging is het haar meer en meer gebleken, dat die spelling inderdaad vele voortreffelijke eigenschappen bezit, en noch in regelmaat noch in duidelijkheid voor die van eenige andere taal behoeft onder te doen. Haar is althans geene nieuwere taal bekend, wier orthographie de twee groote spellingbeginselen—overeenstemming met de uitspraak en aanwijzing van de afleiding en den oorspronkelijken vorm der woorden—op gelukkiger wijze vereenigd heeft weten te eerbiedigen. Om niet te spreken van het Fransch en Engelsch, wier spelling de willekeur zelve is, ook bij de vergelijking met het Hoogduitsch is de verhouding geheel in ons voordeel, zelfs al wil men de in Duitschland gebruikelijke schrijfwijze niet zoo gestreng veroordeelen, als de grootste Duitsche taalkenner doet, die ronduit verklaart: »Mich schmerzt es tief gefunden zu haben, dasz kein volk unter allen, die mir bekannt sind, heute seine sprache so barbarisch schreibt wie das deutsche.1”