Note 1 — XXII. EEN MENSCHENJACHT.
Reading edition
De haciendero zuchtte en liet het hoofd vol gedachten op de borst zakken. Don Martial verwijderde zich snel in het bleeke maanlicht, dat de eenzame woestijn overgoot met haar sidderend en fantastisch schijnsel. Telkens ontmoette hij kale en steile rotsen, die op haar voetstuk schenen te waggelen, als sombere en sluimerende schildwachts wier reusachtige schaduw zich ver over de grauwe zandvlakte uitbreidde; of nu en dan een ontzaglijken ahuehuelt1, welks kale takken met zoogenaamd spaansche baard waren beladen, zeker dik mos dat er in lange en gepruikte trossen bij neerhing en bij het minste geblaas van den wind zich beweegt.