Note 1 — VII. DE DUENNA.
Reading edition
—Ja, caballero, zij was het. Die edelman scheen er een oogenblik met voldoening naar te kijken, dat ik dadelijk zoo goed zorgde voor dat lieve engeltje; hij kwam dicht bij mij staan en drukte een kus op het snoeperige gezichtje van de kleine die reeds rustig was ingeslapen. „Nu, ik zie wel,” zei hij,—„dat alles hier goed zal gaan, en ge als een moeder zult zorgen voor Juana, zóó heet het kind, het is een weesje. Hier hebt ge een beurs met zestig onzen goud1; binnen een jaar zult ge hetzelfde bedrag ontvangen, door bemiddeling van de heeren Izaguirre en Zamala te Pau, en dat zal herhaald worden zoolang het kind aan uwe zorgen blijft toevertrouwd; ge hebt niet anders te doen dan aan die heeren dezen ring te vertoonen.”—Toen trok hij van den pink van zijn linkerhand den ring, versierd met één enkelen steen, een bleeke robijn, en reikte mij dien toe. „Ge hebt goed begrepen wat ik van u verlang, niet waar? Weet te zwijgen, en dan zult ge u niet over mij te beklagen hebben. Vaarwel.”—Hij wikkelde zich weer in zijn mantel, trok den rand van zijn hoed over de oogen, gaf door een gebiedenden wenk aan mijn man te kennen, hem te volgen en ging de hut uit. Hij is nooit meer bij ons terug geweest, maar hoe kort ik hem ook gezien heb, toch ben ik er zeker van, dat ik hem zou herkennen, zoo wij elkaar ooit weer mochten ontmoeten; zulk een indruk heeft zijn gelaat op mij gemaakt, en zoo duidelijk en klaar kan ik mij zijne trekken weer voor oogen stellen.