Note 2 — Tweede Deel Amsterdam—Uitgevers-Maatschappij “Elsevier”—1921 (continued 3)
Reading edition
Met naïve verbazing trachtte Wouter de tirades van ’t stuk te volgen. Ze bevielen hem niet, en byna klom z’n ontevredenheid op tot den moed, zichzelf in-staat te achten tot het leveren van iets beters. Vooral trof hem de verregaande leegte aan denkbeelden. De aan Ovidius ontleende handeling van ’t stuk mocht dan in zekeren zin hoofdzaak zyn, tot het schetsen dáárvan waren geen tweeduizend regels noodig. Aan “gaan en komen” waren meer verzen besteed dan aan menschkundige ontwikkeling, of aan opmerkingen die de moeite van ’t onthouden waard schenen. Zoo gaat het meer. Is dàt ’n dichter? vroeg Wouter.2