Note 1 — Tweede Deel Amsterdam—Uitgevers-Maatschappij “Elsevier”—1921 (continued 3)
Reading edition
—Neen, goddank! De souvereinen zullen onthaald worden op de Scylla van Rotgans, met ’n Kloris en Roosjen achterna. Men zal hun vertellen dat het treurspel geheel-en-al geschoeid is op de leest der fransche “school.” Dus zal ’t wel goed wezen! En... de Kloris? Wel, dat’s ’n idylle! ’n Arkadisch-laaglandsche bergerie! Virgilius in ’t amsterdamsch vertaald! O, Meliboee, deus nobis haec... Ekloge met kuitgespen fecit!1 In-plaats van den nieuwjaarswensch krygen we ’n harangue. De elegante Thomasvaer zal God tot getuige roepen dat het neerlandsch hart, vry van smart, de noodlotten tart, en op straat, inderdaad, vurig slaat, voor elken vreemden potentaat. Geloof me, jongens, die Caligula was zoo gek niet!