Note 1 — De strijd tusschen Athene en Sparta, of de Peloponnesische oorlog.
B. C. (Boudewijn Casper) Goudsmit translation
In het zevende jaar was een Atheensche vloot, door een storm overvallen in de haven van Pylos, op de kust van Messenië, binnengevallen. Dit was volkomen in overeenstemming met den wensch van den aanvoerder, Demosthenes,1 immers hij wilde een plan voorstellen aan de overige aanvoerders. “Laat ons deze plaats versterken. Wij zijn slechts 75 kilometers van Sparta verwijderd; de Messeniërs zullen ons helpen, en wij kunnen van hieruit den vijand groot nadeel berokkenen.” De overige aanvoerders voelden niets voor dit plan. “Indien gij het openbare geld wilt weggooien,” zoo spraken zij, “dan zijn er een menigte andere verlaten voorgebergten, die gij kunt versterken.” De storm raasde nog steeds voort, en de schepen konden de haven niet verlaten. Het is mogelijk, dat de soldaten door het lange oponthoud zich verveelden en onrustig werden; doch wat ook de reden moge zijn, eindelijk werd hun toestemming gegeven het fort te bouwen. Zij hadden geen gereedschappen om steenen te fatsoeneeren, daarom pasten zij ze aan elkander, zoo goed zij dat konden. Zij hadden niets om er de metselkalk in te dragen, daarom stapelden zij die op hun rug en hielden hun handen daartegen aan, om te beletten, dat de kalk afviel; en zoo werd het fort gebouwd.