Note 1 — ZEVENDE HOOFDSTUK
Willem Jacob Aarland Roldanus translation
Plotseling ontstond er een valsch alarm. Kreten stegen op en plantten zich door de menigte voort: “Eccolo, eccolo!”1 Nu ontstond er een gedrang; stroomen en tegenstroomen sleepten den menschelijken vloed als in een draaikolk mede; allen rekten hun halzen uit, maakten zich grooter, stormden weg als razenden, om Zijne Heiligheid en den stoet te zien. Doch het was nog slechts een afdeeling van de edelgarden, die zich rechts en links van het altaar gingen opstellen. Toch bewonderde men hen, men bracht hun een ovatie, een vleiend gemompel volgde hen om hun mooie houding, hun overdreven militaire stramheid. Een Amerikaansche beweerde, dat het prachtkerels waren. Een Romeinsche gaf aan een vriendin, een Engelsche, bijzonderheden over dit elitecorps en vertelde, dat vroeger de jongelui der aristocratie er een eer in stelden om er deel van uit te maken, om de mooie uniformen, waarmede zij bij de dames konden geuren; nu echter werd de aanwerving moeilijker, zoodat men zich tevreden stellen moest met knappe jongelui uit den twijfelachtigen en geruïneerden adel, die nog blij waren met de karige soldij, die hen in staat stelde te leven. Gedurende een kwartier werden die particuliere gesprekken nog voortgezet en vulden de hooge schepen met het geroezemoes van een ongeduldige zaal, die zich den tijd bekort met het opnemen van het publiek en elkaar, in afwachting van het schouwspel, nieuwtjes vertelt.