Note 1 — TWEEDE HOOFDSTUK
Willem Jacob Aarland Roldanus translation
Doch op dat oogenblik kwam een kardinaal binnen, gekleed met den rooden gordel en de roode kousen en de zwarte, roodomzoomde simarra1 met roode knoopen, de gewone dracht, die de kardinalen bij bezoeken dragen. Het was kardinaal Sarno, een zeer oud vriend der Boccanera’s. Terwijl hij zich verontschuldigde, dat hij zoo laat kwam, omdat hij lang had moeten werken, zwegen allen en omgaven hem vol eerbied. Pierre echter, die voor het eerst een kardinaal zag, voelde zich zeer teleurgesteld, want het was niet de majestueuze verschijning, de mooie decoratieve aanblik, dien hij verwacht had. Deze kardinaal leek klein en een weinig mismaakt, de linkerschouder was hooger dan de rechter, het gezicht uitgeteerd en vaal, de oogen als dood. Hij maakte op hem den indruk van een zeer afgeleefden, zeventigjarigen ambtenaar, die, door een halve eeuw van bekrompen bureauleven afgestompt, zwaar en misvormd geworden was, daar hij nooit den ronden leeren stoel verlaten had, waarop hij zijn geheele leven doorgebracht had.