Note 17 — Tweede Dag. (continued 2)
J. K. (Jacques Karel) Rensburg translation
Er was toen toevallig in de haven van de stad een vaartuig beladen met koopwaren voor Clarentza17 in Romania, waarvan twee jonge Genueezen de meesters waren en reeds was het zeil geheschen om, daar de wind gunstig was, te vertrekken. Met hen sloot Marato een overeenkomst en beval, hoe door hen de donna den volgenden nacht moest worden opgenomen. Toen dit gedaan was en het nacht werd en hij met zich zelf had overlegd, wat er gebeuren moest, ging hij heimelijk naar het huis van Pericon, die nergens op verdacht was, met eenige van zijn betrouwbaarste metgezellen, welke hij had verzameld om ze te zeggen wat hij van plan was en verborg zich volgens hun afspraak aldaar. Een deel van den nacht ging voorbij; hij deed zijn metgezellen open en begaf zich daarheen, waar Pericon met de donna sliep. Daar ontsloot hij de kamer; zij vermoordden Pericon in den slaap, bedreigden de ontwaakte en klagende vrouw met den dood, als zij eenig rumoer maakte en voerden haar mede. Zonder opgemerkt te worden begaven zij zich met een groot deel der kostbaarheden van Pericon naar de kade. Zonder verwijl gingen Marato en de donna scheep, terwijl de metgezellen huiswaarts keerden. De zeelieden spanden met een goeden en frisschen wind het zeil voor hun reis. De dame beklaagde zich bitter zoowel over het eerste ongeluk als over het tweede, maar Marato gebruikt een middel, dat God hem gaf en begon haar zoo te troosten, dat zij zich naar hem voegde en Pericon vergat en reeds scheen zij gelukkig, toen de fortuin haar een nieuwe smart bereidde of die met de voorbijgeganen niet tevreden was. Want daar zij zeer schoon was, gelijk wij al meermalen zeiden en van zeer lofwaardige manieren, werden de twee heeren van het schip zoo op haar verliefd, dat zij alles vergetend en van plan haar het hof te maken, zich steeds in acht namen, dat Marato er de oorzaak niet van zag. Ze merkten die liefde echter bij elkander op, hadden hierover een geheim onderhoud en kwamen overeen den buit van die liefde te deelen, alsof liefde gelijk handelswaar of geld wordt behandeld. Zij zagen, dat Marato zeer op haar lette en dat zij daardoor in hun plannen werden gedwarsboomd. Daarom zetten ze op een goeden dag alle zeilen bij en toen Marato op den achterspiegel stond, naar de zee keek en op niets acht gaf, naderden zij tegelijk, grepen hem snel van achteren aan en wierpen hem in het water. Eerst nadat zij een mijl ver weg waren, kon pas iemand bemerken, dat Marato over boord was geraakt. De donna vernam dit en geen middel ziende om hem terug te krijgen, begon zij op het schip op nieuw te weeklagen. De twee minnaars kwamen haar dadelijk troosten en met zoete woorden en groote beloften, hoewel zij er weinig van verstond, wisten zij haar, die niet zoozeer den verloren man als wel haar ongeluk betreurde, te kalmeeren. Na verschillende malen lange gesprekken met haar te hebben gehouden, scheen zij hen als het ware getroost en begonnen zij onder elkaar te bepraten, wie het eerst van hen met haar zou slapen. Daar elk de eerste wilde zijn en zij het hierover niet eens werden, begonnen zij met kwade woorden en onder beleedigingen te twisten en toen hun toorn toenam, gingen zij elkaar met de hand aan het mes woedend te lijf en gaven elkaar (daar wie op het schip waren, ze niet konden redden) verscheidene steken, zoodat er een dood viel en de ander op vele plaatsen van zijn lichaam ernstig verwond bleef leven. Dit mishaagde de donna zeer, daar zij zich daar alleen zag zonder hulp of raad van wien ook. Zij vreesde zeer, dat de toorn van de verwanten en vrienden der twee heeren zich tegen haar zou richten, maar de gebeden van den gekwetste en de snelle aankomst te Chiarenza, bevrijdden haar van het doodsgevaar.