Note 14 — Tweede Dag. (continued 2)
J. K. (Jacques Karel) Rensburg translation
Reeds lang geleden leefde er een Sultan van Babylon14, die Beminedab heette en bij wien zijn leven lang alles naar wensch geschiedde. Deze had onder anderen onder zijn vele telgen, mannelijke en vrouwelijke, een dochter, Alathiel, die, volgens het zeggen van elk die haar zag, de schoonste vrouw ter wereld van dien tijd was. Omdat hij in een groote nederlaag, die hij veroorzaakt had aan een menigte Arabieren, welke hem van achteren hadden aangevallen, uitstekend was geholpen door den koning van Algarvië15, had hij, toen de koning hem een bijzonderen gunst vroeg, hem deze tot vrouw geschonken. Hij deed haar een goed bewapend en flink loopend schip bestijgen met een aanzienlijk geleide van mannen en vrouwen en met een voorname en rijke uitrusting zond haar hem zoo toe en beval haar Gode aan. Toen de zeelui zagen, dat het goed weer was, zetten ze volle zeilen bij, vertrokken uit de haven van Alexandrië en voeren zoo verscheidene dagen. Reeds waren zij Sardinië voorbij en scheen het einde van hun reis hun nabij, toen op een dag plotseling verschillende winden opstaken, die elk op andere wijze heftig het vaartuig, waarop de donna en de zeelieden waren, zoo rammeiden, dat zij zich meermalen voor verloren hielden. Maar toch als dappere mannen, alle kunst en alle kracht aanwendend, hielden zij het door de eindelooze zee bestreden toch vol. Toen de derde nacht van den opgestoken storm naderde en die niet ophield, maar meer en meer toenam, wisten zij niet, waar ze waren en konden het noch door zeemanskunst noch op het gezicht af weten, omdat de hemel donker bewolkt en zwart van duisternis was. Ze waren niet ver van Majolica16 en voelden het schip splijten. Aldus geen middel ziende om te ontvluchten en daar ieder aan zich zelf en niet aan anderen dacht, lieten ze een sloep in zee en daar ze zich hierin meer vertrouwden dan op het lekke schip, wierpen de officieren er zich het eerst in. Daarop volgden de mannen, die op het vaartuig waren, de een na den ander, hoewel wie het eerst er in waren afgedaald met het mes in de hand wilden beletten, dat allen er insprongen, maar geloovend den dood te ontvluchten sprongen zij allen er in neer. Daar de boot niet zooveel menschen kon dragen door de woeligheid van het weer, ging zij onder en alle, die er in waren, verdronken. Het schip, dat door een hevigen wind werd voortgedreven, hoewel het lek was en reeds bijna vol water, liep zeer snel en stiet op een strand van het eiland Majolica, terwijl er niemand op gebleven was dan de donna en haar vrouwen, die allen overwonnen door den storm op zee en de angst, voor dood daarop lagen uitgestrekt. De schok was zoo hevig, dat alles vastliep in het zand op een steenworp afstand zoowat van het strand. Daar bleef het geteisterd door de zee den ganschen nacht zonder door den wind te worden vlot gemaakt. Toen het helder dag werd en de storm een weinig bedaarde, hief de donna, die halfdood was, het hoofd op en zoo zwak als zij was, begon zij dan die, dan gene van haar metgezellen aan te roepen; maar zij riep voor niets, want de geroepenen waren veel te ver weg.