Note 3 — Tiende Dag. (continued 2)
J. K. (Jacques Karel) Rensburg translation
Ten tijde van keizer Frederik den Eerste ondernam men een algemeenen kruistocht om het Heilige Land te veroveren. Saladin, een zeer waardig heerscher en toen Sultan van Babylon3, die daar al van te voren iets van hoorde, nam zich voor zelf de toebereidselen er van te aanschouwen om beter gereed te staan. Hij regelde al zijn zaken in Egypte, gaf voor een pelgrimstocht te doen en begaf zich met twee van zijn grootste en wijste mannen en slechts drie dienaren als koopman vermomd op weg. Zij zwierven door vele christelijke landen en door Lombardije rijdend om de bergen over te gaan, ontmoetten zij op weg van Milaan naar Pavia een edelman, messer Torello d’Istria van Pavia, die met zijn knechten, honden en valken zich naar zijn landgoed begaf aan den Tessino. Zoodra Torello ze zag, begreep hij, dat zij edellieden en vreemden waren en wenschte hij ze te onthalen. Toen Saladin aan een van zijn dienaren vroeg, hoever Pavia nog af was en of hij er bijtijds kon binnenkomen, liet Torello den knecht niet antwoorden, maar hij zelf sprak: Heeren, gij kunt Pavia niet bijtijds binnentreden. Dan, vroeg Saladin, behage het u ons te wijzen, waar wij het best verblijven, omdat wij vreemdelingen zijn. Torello sprak: Dat zal ik gaarne doen; ik was juist op het punt een der mijnen in de buurt van Pavia te sturen. Ik zal hem u meegeven en hij zal u leiden naar een plaats, waar gij zeer goed kunt verblijven. Hij gelastte de verstandigste van zijn onderhoorigen, wat hij te doen had en zond hem met dezen weg. Hij ging naar zijn landgoed en liet snel een goed avondmaal gereed maken en de tafels in zijn tuin zetten en daarna wachtte hij ze aan de deur. De knecht sprak met de edellieden over verschillende dingen en voerde ze langs bepaalde wegen om naar het landgoed van zijn heer, zonder dat zij het merkten. Toen Torello hen zag, ging hij ze te voet tegemoet en sprak lachend: Heeren, wees allen welkom. Saladin, die zeer hoffelijk was, bemerkte, dat deze ridder er aan twijfelde, dat hij de uitnoodiging niet zou hebben aangenomen, als hij dit gedaan had, toen hij hem op weg aantrof, en hij ze met overleg naar zijn huis geleid had, opdat ze niet konden weigeren den avond met hem door te brengen en den groet beantwoordend, sprak hij: Messer, indien men zich kon beklagen over de hoffelijkheid van de menschen, moesten wij het over u doen, die, daargelaten, dat gij ons belet hebt onzen weg te vervolgen, ons gedwongen hebt, en die, terwijl uw welwillendheid voor ons slechts een groet waard was, zoo hoffelijk waart. De wijze en welsprekende ridder antwoordde: Heeren, wat gij van ons ontvangt, zal bij hetgeen voor u passen zou, naar uw uiterlijk te oordeelen, een povere ontvangst worden, maar werkelijk buiten Pavia zoudt gij het nergens goed treffen en daarom moge het u niet hinderen, dat gij wat zijt omgeloopen om wat meer geriefelijkheid te hebben.