← Table of contents
De Decamerone van Boccaccio

Note 1 — Negende Dag.

J. K. (Jacques Karel) Rensburg translation

De dageraad, welks glans den nacht doet vlieden, had reeds den licht-azuren tint van den achtsten1 hemel in donkerblauw veranderd en de bloemkens richtten zich al op in de velden, toen Emilia haar gezellinnen en de jonge lieden deed roepen. Toen zij met langzame schreden de koningin waren gevolgd, begaven zij zich naar een boschje niet ver van het verblijf en toen zij daar in waren geloopen, zagen zij de dieren zooals geiten, herten en anderen beveiligd tegen jagers door de heerschende pestziekte hen afwachten, zonder vrees, alsof zij bevriend met hen waren geworden. En de dieren naderend, of zij ze wilden vangen, vermaakten zij zich door ze te doen rennen en springen. Maar toen de zon geheel op was, keerden allen terug. Zij waren met eikenloof bekransd en hadden de handen vol geurige kruiden of bloemen en wie ze zou ontmoet hebben, had niets anders kunnen zeggen dan: O dezen zullen niet door den dood overwonnen worden of het zal in vreugde zijn. Aldus gaande schrede na schrede, zingend en spelend en schertsend kwamen zij bij hun verblijf en vonden hun bedienden feestelijk gestemd. Toen zij wat uitgerust hadden, gingen zij niet aan tafel voor zes liederen, het een al aardiger dan het andere, waren gezongen. Vervolgens werd het water voor de handen aangereikt en plaatste de hofmeester ze aan tafel en allen aten vroolijk, gaven zich daarna over aan dans en fluitspel en op bevel der koningin ging, wie wilde, uitrusten. Maar toen het uur gekomen was, vereenigden allen zich op de gewone plaats om te vertellen, waarop de koningin naar Filomena ziende, zeide, dat zij een aanvang zou maken met de verhalen, welke glimlachend aldus begon:

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings