← Table of contents
De Decamerone van Boccaccio

Note 7 — Negende Dag.

J. K. (Jacques Karel) Rensburg translation

Door de geheele oude wereld was de roem van de wonderbaarlijke wijsheid van Salomo al verbreid en de mildheid, waarmee hij ieder de bewijzen er van gaf, die dit met zekerheid wilde weten. Velen van verschillende deelen der aarde kwamen bij hem voor hun moeilijkste en neteligste zaken om raad en onder anderen vertrok daartoe een zeer rijk en adellijk jongeling, Melisso uit de stad Lajazzo. Terwijl hij te paard naar Jeruzalem toog, verliet een ander jonkman Jozef Antiochië langs denzelfden weg. Gelijk het de gewoonte der reizigers is, knoopte hij met hem een gesprek aan. Nadat Melisso van Jozef zijn toestand had vernomen en vanwaar hij was, vroeg hij hem, waar hij heenging en waarom, en Jozef antwoordde, dat hij naar Salomo ging om hem raad te vragen over zijn echtgenoote, die meer dan eenige andere vrouw weerspannig en boosaardig was en die hij noch met gebeden noch met liefkoozingen noch hoe ook van haar onwil kon afbrengen. Daarna vroeg hij ook hem, vanwaar hij was en waar hij heenging en waarom, waarop Melisso antwoordde: Ik ben van Lajazzo en zoo’n ongeluk heb ik ook. Ik ben een rijk jonkman en ik verteer mijn bezit door mijn medeburgers aan tafel te noodigen en te ontvangen en het is zonderling te moeten denken, dat ik toch geen mensch vind, die mij goed wil doen en daarom ga ik mij raad schaffen om bemind te worden. Aldus reisden zij te samen en in Jeruzalem gekomen werden zij door een der baronnen7 van Salomo voor den koning geleid. Melisso verklaarde zijn toestand. Hem antwoordde Salomo: Heb lief. En toen dit gezegd was, werd Melisso dadelijk buiten gebracht en Jozef zeide, waarom hij gekomen was. Hierop antwoordde Salomo niets anders dan: Ga naar de Ganzenbrug. Na die woorden werd Jozef eveneens zonder verwijl uit de tegenwoordigheid des konings geleid en vond Melisso terug en zeide hem, welk antwoord hij kreeg. Toen zij de bedoeling noch het voordeel er van konden begrijpen, gingen zij, of ze misleid waren, terug. Nadat zij eenige dagen voortgetrokken waren, kwamen zij bij een rivier, waarover een schoone brug spande en daar er een groote karavaan van muilezels en paarden met lasten overging, moesten zij wachten. Toen haast alles voorbij was, werd een muildier opeens schichtig en het wilde niet voort. De drijver nam een knuppel en sloeg het hevig. Maar de muilezel liep rechts, links en terug, doch wilde volstrekt niet vooruit. De verwoede drijver gaf hem overal nog duchtiger slagen, maar het gaf niets. Melisso en Jozef zeiden meermalen tot den drijver: Zeg, stommeling, wat doe je? Wilt gij hem dooden? Waarom doet gij Uw best niet hem vriendelijk en zachtjes te leiden! Hij zal dan eerder gaan dan door hem te ranselen. De drijver antwoordde: Gij kent Uw paarden en ik mijn muildier; laat mij dus met hem gaan. En hierna begon hij hem opnieuw te ranselen en gaf hem zooveel slaag, dat de ezel vooruit ging en de drijver dien bleek te kennen. Toen de jongelieden wilden vertrekken, vroeg Jozef aan een man, die aan den ingang van de brug zat, hoe of die plaats heette. De man antwoordde: Messere, zij heet de Ganzenbrug. Toen Jozef dit gehoord had, herinnerde hij zich de woorden van Salomo en sprak tot Melisso: Nu ik zeg U, kameraad, dat de raad mij door Salomo gegeven goed en waar kan zijn, omdat ik nu duidelijk inzie, dat ik mijn vrouw niet genoeg sloeg. Deze muilezeldrijver heeft mij getoond wat ik doen moet. Toen zij na eenige dagen te Antiochië waren aangekomen, hield Jozef Melisso eenigen tijd bij zich om uit te rusten en hij werd zeer koeltjes door de vrouw ontvangen. Jozef zeide haar het avondmaal gereed te maken, gelijk Melisso zou vaststellen. Toen Melisso zag, dat dit Jozef beviel, gaf hij dit met weinig woorden te kennen. De donna, als naar gewoonte, deed het niet, gelijk Melisso het aangaf, maar bijna geheel tegenovergesteld. Toen Jozef dit zag, zeide hij woedend: Was het U niet gezegd, hoe gij het avondmaal moest gereed maken? De donna, die zich trots omkeerde, sprak: Wat wil dat zeggen? Zeg, waarom eet gij niets als gij wilt avondmalen? Het is mij wel zoo gezegd, maar het beviel mij niet het zoo te doen. Als het U bevalt, des te beter; zoo niet, laat het staan. Melisso verwonderde zich over het antwoord van de donna en laakte haar zeer. Jozef sprak: Vrouw, gij zijt nog steeds dezelfde, maar geloof me, dat ik je zal veranderen. Tot Melisso gekeerd, sprak hij: Vriend, spoedig zullen wij den raad van Salomo beproeven; laat het U niet hinderen en houdt niet voor een spel, wat ik zal doen; denk aan het antwoord van den drijver. Melisso sprak hierop: Ik ben in Uw huis en zal U daarin niet lastig vallen. Jozef, die een gladden stok had gevonden van een jongen eikentak, begaf zich in de kamer, waar de donna brommend heen was gegaan. Hij nam haar bij de haren, wierp haar op den grond en begon hard te slaan. De donna schreeuwde en dreigde, maar jozef hield niet op en zij begon geheel gebroken om genade te vragen, opdat hij haar niet zou vermoorden en zeide, dat zij nooit iets meer tegen zijn zin zou doen. Jozef hield niet op, maar sloeg integendeel nog met meer woede dan eens op de zijden, op de heupen, op de schouders en ranselde, totdat hij moede was. Geen been en geen deel van haar rug bleef ongedeerd.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings