← Table of contents
De Decamerone van Boccaccio

Note 6 — Negende Dag.

J. K. (Jacques Karel) Rensburg translation

En tot Calandrino teruggekeerd sprak hij: Zij is het en wij moeten dit zeer slim aanleggen, omdat, als Filippo het merkt, al het water van den Arno het niet kan afwasschen. Maar wat wilt gij, dat ik haar van uw kant zeg, als ik haar toevallig spreek? Calandrino antwoordde: Wel gij moet haar voor alles zeggen, dat ik haar van mij duizendmaal zwanger wensch en ik haar dienaar ben! Bruno zeide: Ja, laat mij maar gaan. Toen het uur van het avondmaal kwam en zij het werk hadden neergelegd, naar de binnenplaats afdaalden en Filippo en Niccolosa daar waren, bleven zij daar eenigen tijd. Daar begon Calandrino Niccolosa te beschouwen en haar zoo verstaanbare lonken toe te werpen, dat een blinde het moest merken. Zij van haar kant deed alles, wat zij moest om hem goed te ontvlammen en volgens de voorlichting, die zij van Bruno had gehad, nam zij de beste gelegenheid waar, terwijl Filippo met Buffalmacco en de anderen deden of zij praatten en er niets van merkten. Maar toch na eenigen tijd gingen zij heen tot grooten spijt van Calandrino en terwijl ze zich naar Florence begaven, zeide Bruno tot Calandrino: Ik zeg u, dat gij haar smelt als het ijs voor de zon, bij het Lichaam van Christus; als gij uw guitaar hier haalt en een beetje met haar uw liefdeliederen zingt, zult gij haar door de ramen doen springen. Calandrino zeide: Zou je denken, dat ik die moet halen? Ja, antwoordde Bruno. Hierop sprak Calandrino: Gij geloofde mij heden niet, toen ik het u zeide: Zeker, vriend, ik weet beter dan ieder ander man dat te doen, wat ik wil. Wie zou anders dan ik zoo spoedig zulk een donna verliefd hebben kunnen maken? Werkelijk, dat hadden die soort jongelieden, die alles rondbazuinen, niet kunnen gedaan krijgen, die den geheelen dag overal heen gaan en in duizend jaar nog niets winnen. Nu, ik wil, dat gij mij een weinig met mijn ribeba (mandoline) zult zien; gij zult mooi spelen hooren. Weet wel, dat ik niet zoo oud ben, als ik schijn; zij heeft dat wel gemerkt. Maar ik zal het haar doen merken, wanneer ik haar aan den scheepshaak sla; bij het ware Lichaam van God, ik zal haar voorspelen, dat zij mij naloopt als een gekkin haar kind. O zeide Bruno, gij zult haar besnuffelen als de zwijnen en het schijnt mij al, dat ik u haar rooden mond zie bijten met uw tanden als guitaarhoutjes6 en haar wangen, die twee rozen schijnen en haar heelemaal opeten.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings