← Table of contents
De Decamerone van Boccaccio

Note 3 — Negende Dag.

J. K. (Jacques Karel) Rensburg translation

Het is vroeger al genoeg aangetoond, wie Calandrino was en de anderen, van welke ik in deze historie moet spreken. Een tante van Calandrino stierf en liet tweehonderd lire contant na. Calandrino zeide er een landgoed voor te willen koopen en met alle makelaaars van Florence onderhandelde hij of hij tienduizend goudguldens had te verteren, maar de zaak sprong af, toen men hem den prijs voor het landgoed gevraagd had. Bruno en Buffalmacco, die het wisten, hadden hem meermalen gezegd, dat hij het best zou doen zich met hen te vermaken inplaats grond te koopen, alsof hij kogels3 moest fabriceeren, maar behalve hiertoe hadden zij hem er evenmin toe kunnen krijgen hen ten eten te vragen. Toen zij op een dag zich daarover beklaagden en er een metgezel van hen bijgekomen was, die Nello heette, een schilder, overlegden zij, om zich op kosten van Calandrino te goed te doen. Zonder uitstel, na geregeld te hebben, wat zij te doen hadden, beloerden zij den volgenden morgen, hoe laat de Calandrino uit huis ging. Nauwelijks was hij de deur uitgegaan, of Nello ging hem tegemoet en zeide: Goeden dag, Calandrino. Calandrino antwoordde hem, dat God hem een goeden dag en een goed jaar zou geven. Hierna hield Nello hem een weinig op en zag hem in het gelaat. Calandrino sprak tot hem: Waar kijkt gij naar? Nello zeide: Hebt gij vannacht niets gemerkt? Gij schijnt mij dezelfde man niet meer. Calandrino twijfelde en zeide: Wee mij! Wee mij! Wat zou ik hebben? Nello sprak: Dat weet ik niet, maar gij schijnt mij geheel veranderd; het zal misschien niets zijn en hij liet hem gaan. Calandrino liep argwanend door en voelde niet het minste. Maar toen trad Buffalmacco hem tegemoet en na hem gegroet te hebben, vroeg hij hem, of hij niets voelde.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings