Note 24 — Derde Dag. (continued 2)
J. K. (Jacques Karel) Rensburg translation
Filostrato ziende, dat zij net zooveel schichten hadden als hij pijlen, hield op met schertsen en begon zich te wijden aan het bestuur des rijks. Hij liet den hofmeester roepen, van wien hij wilde weten hoe de zaken stonden en behalve aan deze, gaf hij naar hetgeen hij meende, dat goed was en het gezelschap zou voldoen, in stilte bevelen, voor zoolang zijn heerschappij zou duren. Daarna keerde hij zich tot de donna’s en zeide: Verliefde donna’s. Sinds mijn ongeluk, weet ik wel uit mijn lijden, dat ik steeds door de schoonheid van een uwer ben onderworpen geweest aan Amor en noch mijn nederigheid, noch mijn gehoorzaamheid, noch hem te volgen daarin, wat mij bekend is tot hulp bij al zijn gewoonten hebben mij iets geholpen, daar ik eerst voor een ander verlaten en daarna steeds van kwaad tot erger ben vervallen, en zoo geloof ik, dat ik van hier den dood tegemoet ga. Daarom wil ik, dat men morgen van niets anders spreekt dan van wat met mijn lotgevallen overeenstemt, namelijk van hem, wier liefde een ongelukkig einde had, omdat ik op den duur verwacht, dat het mij zeer ongelukkig zal gaan, ware het slechts door den naam, waarmee gij mij noemt, vanwege haar, die wel weet, dat ik gedwongen werd mij zoo te noemen24. En bij die woorden stond hij op om aan elk tot het avondmaal vrij te geven. De tuin was zoo schoon en bekoorlijk, dat niemand er uit wilde gaan om elders grooter genoegen te scheppen. Integendeel, daar de hitte al zoo was afgenomen, dat men niet vermoeid werd door de geiten, de konijnen en de andere dieren te volgen, die zich daar bevonden en die, terwijl men gezeten was, meer dan honderd maal de aanwezigen in de war brachten door tusschen hen in te springen, gingen zij die na. Dioneo en la Fiammetta begonnen te zingen van Messire Guiglielmo en van de Dame del Vergiù; Philomena en Pamfilo gingen zitten schaken, en zoo, deze dit en gene dat doende, vloog de tijd om en verraste het ternauwernood verwachte uur van het avondmaal. Toen de tafels bij de schoone fontein waren geplaatst, aten zij met het grootste genoegen. Filostrato om niet af te wijken van den weg, die de koninginnen voor hem gegaan waren, beval, toen de tafels werden weggezet, dat Lauretta een dans zou vormen en een lied zou zingen. Zij zeide: Mijnheer, ik weet niets van de zorgen der anderen, maar ik heb er geen onder de mijnen, dat geschikt is voor den geest van een zoo blijmoedig gezelschap. Indien gij er, van die ik heb, een wilt hooren, zal ik U dit gaarne voordragen. Daarop zei de koning: Al wat van U komt, kan niet anders dan schoon en bekoorlijk zijn, daarom zing het gelijk gij het hebt. Lauretta met een zeer liefelijke stem maar op een ietwat klagelijke wijze begon aldus, terwijl de anderen antwoordden: