← Table of contents
De Decamerone van Boccaccio

Note 19 — Derde Dag. (continued 2)

J. K. (Jacques Karel) Rensburg translation

Er leefde in het koninkrijk Frankrijk een edelman, dien men Isnard, graaf de Roussillon noemde, die, omdat hij niet zeer gezond was, altijd een dokter bij zich hield, meester Gérard de Narbonne genaamd. Genoemde graaf had een eenigen, kleinen zoon Beltram19 genaamd, die heel mooi en aardig was en dien men met andere kinderen van zijn leeftijd opvoedde, onder welken een kind was van dien dokter, dat Giletta heette. Dit meisje voelde voor dien Beltram een eindelooze liefde en heviger dan gewoonlijk op dien teederen leeftijd het geval is. Toen de graaf dood was en hij in handen des konings werd gesteld, moest hij naar Parijs gaan, waarover het jonge meisje ontroostbaar bleef. Toen haar vader kort daarop insgelijks stierf, was zij, als zij maar een gunstige gelegenheid had kunnen vinden, graag daarheen getogen om Beltram te zien. Maar daar zij streng bewaakt werd, omdat zij rijk en alleen was achtergebleven, zag zij er geen eerlijk middel toe. Daar zij al op huwbaren leeftijd kwam en Beltram nooit had kunnen vergeten, had zij al velen, aan wie haar verwanten haar wilden doen trouwen, geweigerd zonder de reden te verklaren. Terwijl zij meer dan ooit van liefde voor Beltram brandde, daar zij gehoord had, dat hij een zeer schoon jonkman was geworden, kwam de tijding tot haar, dat de koning van Frankrijk door een gezwel, dat hij op de borst had en dat slecht was genezen, een zweer had overgehouden, die hem zeer veel pijn en angst veroorzaakte. Er was nog geen geneesheer te vinden, hoewel velen het beproefd hadden, die hem hiervan hadden kunnen bevrijden, maar allen hadden het verergerd. Hierdoor wilde de koning daarover wanhopig van geen enkele verdere raad of hulp weten. Maar ook was de jonge dame nu zeer tevreden en dacht zij niet alleen een gewettigde reden te hebben om naar Parijs te gaan, maar als het de kwaal was, welke zij onderstelde, kon zij het licht gedaan krijgen om Beltram tot echtgenoot te bezitten. Vandaar, dewijl zij vroeger van haar vader heel wat had geleerd, dat zij haar poeder van zekere heilzame kruiden klaarmaakte, voor de ziekte, welke zij het meende te zijn, te paard steeg en naar Parijs ging.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings