Note 1 — Vijfde Hoofdstuk.
Reading edition
„Dat een volk, zoo bloeiend in kunsten en welvaart, een adel zoo trotsch op zijn wapenschild, gemeenten zoo moedig op hare vrijheid, dien onlangs de pracht eens kardinaals van Granvelle wee in het oog deed, zich nu door de snoodsten en eerloosten der aarde den buik laten intrappen!.... Want wien in alle gewesten, waggelde het hoofd op den hals niet, daar men zulk een voet van rechters en rechtsvorderingen volgde, daar zaken van ’t uiterste gewicht, zonder op plaats of hoven, waaronder ze gevallen waren, te letten, zonder uitvlucht van beroep tot hooger vierschaar of nader overzicht, bij twee of drie ellendigen, die allen naar den mond van een Vargas zagen, besloten werden? ’t Ging dan aan elken kant op een vangen en spannen van allerlei stand, allerlei sekten, allerlei ouderdom. De galgen hingen gerist, de raden, de staken, de boomen aan de wegen stonden beladen met lijken, geworgd, onthalst, gebrand: zoodat de menschen nu in de lucht, tot ademschepping geschapen, als in een gemeen graf en woning der overledenen verkeerden. Elke dag had zijne deerlijkheid in het bassen der bloedklok, dat met den dood van namaag den eenen, van zwager of vriend den ander in het hart klonk; aan het bannen, aan ’t verbeurd verklaren der goederen was geen einde. Tilbaar, ontilbaar, ’t werd al aangeslagen en (ongeacht het aantal der schuldeischers) bekommerd gehouden, tot onberekenbare schade van rijken, van armen, van kloosters, gasthuizen, weduwen en wezen, die na loopende jaren lang van hun recht en renten door booze uitvluchten verstoken bleven.”1