Note 138) — DERDE HOOFDSTUK.
Reading edition
Tot zoover Cartwright 10 September.—„Gand et surtout Anvers jettent les hauts cris. Messieurs du commerce et de l'industrie ont peur que, le divorce accompli, les Hollandais ne mettent l'Escaut en bouteilles” (Lesbroussart aan de Potter. 9 Sept. 1830; bij Juste II, 181).—In de verzameling-van Maanen berusten een vrij groot aantal brieven uit de eerste helft van September, geschreven uit Kortrijk, Oudenaarde, Gent, Aalst, Antwerpen, Lier, Borgworm.—Overal is het nog stil, vooral in de beide Vlaanderen. „De rebellen hadden eerst grieven. Zij eischen alsnu de scheiding van het Rijk. Morgen bevelen zij den afstand des Konings, en overmorgen de vereeniging met Frankrijk” (Audoor, Oudenaarde 11 Sept.).—„Gelooft Z. M. misschien, dat de gevraagde afscheiding van Noord en Zuid, al wierd zij dadelijk toegestaan onder de gunstigste voorwaarden voor de rebellen, de rust zoude herstellen en de Fransche factie tot zwijgen brengen?.... De kroon die men veinst de dynastie over het Walenland te willen laten dragen, zal op een prijs gesteld worden dien het aloude Oranjehuis niet kan aannemen zonder zich bij de tegenwoordige en toekomende generatiën te onteeren. Bukt men niet onder dat smadelijk juk [van Roomsch te worden, meent hij], dan wordt de gebrandmerkte troon aan een zoon van d'Orléans opgedragen..... Ik vertel hier geen sprookjes; dit is het plan, immers de correspondentie wakkert alle subalterne agenten aan, om het volk met dat denkbeeld vertrouwd te maken. Men snoeft op stellige beloften van het Fransche gouvernement, om à point nommé te hulp te komen.... Hier in de Kempen is alles gerust en vindt men tot nu toe niet het minste spoor van oproergeest. Deze provincie en de Vlaanderen zijn door het onderwijs al meer Nederlandsch geworden als de woelzieke Waalsche” (Bergmann, Lier 14 Sept.).—„De Belgische provinciën willen geene republiek uitmaken; zij willen nog minder deel maken van Frankrijk” (Schuermans, Aalst 16 Sept.).—„Tout est tranquille dans les provinces flamandes jusqu'à présent. Toujours est-il vrai que les contributions ne rentrent pas; que ce serait imprudent d'en forcer le payement par exécution, et que des embarras financiers pour le service public en seront bientôt le résultat....” (Audoor, Gent 19 Sept.).