Note 2 — SUPPLEMENTAIRE AANTEEKENING op HOOFDSTUK XVII.
H. (Hermanus) Hartogh Heys van Zouteveen translation
Om mij te vergewissen of vrouwelijke dieren ooit of dikwijls een besliste voorkeur voor bepaalde mannetjes vertoonen, deed ik vroeger onderzoek bij sommige der grootste fokkers in Engeland, die geen theoretische inzichten hadden te verdedigen en groote ervaring bezaten; en ik heb hun antwoorden, zoowel als sommige publiek gemaakte getuigenissen in mijn „Afstamming van den Mensch” medegedeeld.2 De daar medegedeelde feiten bewijzen duidelijk, dat bij honden en andere dieren de wijfjes somtijds op de meest besliste wijze de voorkeur geven aan bepaalde mannetjes, maar dat het zeer zeldzaam is, dat een mannetje niet elk wijfje aanneemt, ofschoon zulke gevallen ook voorkomen. De volgende mededeeling, ontleend aan het reisverhaal van de „Vega”3 steunde bovenvermeld besluit indirect op treffende wijze. Nordenskiöld zegt: „Wij hadden twee Schotsche herdershonden (collies) bij ons op de „Vega.” Zij verschrikten in den beginne de inboorlingen zeer door hun geblaf. Tegenover de honden der Tchuktchen namen zij weldra het zelfde hoogere standpunt in, waarop de Europeaan voor zich zelf in betrekking tot den wilde aanspraak maakt. Aan den reu werd duidelijk de voorkeur boven den inlandsche gegeven door de Tchuktchische vrouwelijke hondenwereld, en dat zelfs zonder de gevechten waartoe zulk een gunst van de zijde der schoone sekse gewoonlijk aanleiding geeft. Een talrijk hondenkroost van gemengd Schotsch-Tchuktchisch bloed is te Pitlekay ontstaan. De jonge honden geleken volkomen op hun vader en de inboorlingen waren zeer met hen ingenomen.”