Note 26 — SECUNDAIRE SEKSUEELE KENMERKEN BIJ DEN MENSCH.—SLOT.
H. (Hermanus) Hartogh Heys van Zouteveen translation
Wat den baard aangaat, zoo vinden wij, als wij ons tot onze beste gidsen, namelijk de Vierhandige Zoogdieren (Quadrumana), wenden, baarden bij vele soorten bij beide seksen even goed ontwikkeld, maar bij andere, hetzij tot de mannetjes beperkt of bij deze meer ontwikkeld dan bij de wijfjes. Wegens dit feit en wegens de merkwaardige rangschikking en ook levendige kleuren van het haar op de koppen van vele apen, is het hoogst waarschijnlijk, gelijk vroeger is uitgelegd, dat de mannetjes eerst hun baarden als een versiering door seksueele teeltkeus verkregen, en ze in de meeste gevallen in gelijke of bijna gelijke mate op hun nakomelingen van beiderlei seksen overplantten. Wij weten door Eschricht26, dat bij den mensch de vrouwelijke foetus even goed als de mannelijke veel haar op het aangezicht, vooral rondom den mond bezit; en dit toont aan, dat wij afstammen van voorouders bij welke beide seksen gebaard waren. Het schijnt daarom op het eerste gezicht waarschijnlijk, dat de man zijn baard uit een zeer vroeg tijdperk heeft behouden, terwijl de vrouw haar baard verloor op den zelfden tijd, toen haar lichaam bijna volkomen van haren werd ontbloot. Zelfs de kleur van den baard bij den mensch schijnt te zijn overgeërfd van een op een aap gelijkenden voorvader; want, als er eenig verschil in tint is tusschen het hoofdhaar en het baardhaar, dan is dit laatste bij alle apen en bij den mensch lichter gekleurd. Er is minder onwaarschijnlijkheid in gelegen, dat de mannen van de gebaarde rassen hun baarden uit oorspronkelijke tijden hebben behouden, dan in het geval van het haar op het lichaam; want bij de Vierhandigen (Quadrumana) bij welke het mannetje een grooteren baard dan het wijfje heeft, komt deze slechts op volwassen leeftijd tot volkomen ontwikkeling, en de latere ontwikkelingstrappen kunnen wellicht uitsluitend op den mensch zijn overgeplant. Wij kunnen dan begrijpen, waarom onze mannelijke kinderen, gelijk werkelijk het geval is, voordat zij den volwassen leeftijd bereiken, even ontbloot van baarden zijn als onze vrouwelijke kinderen. Daarentegen bewijst de groote veranderlijkheid (variabiliteit) van den baard binnen de grenzen van het zelfde ras en bij verschillende rassen, dat er atavisme in het spel moet zijn gekomen. Hoe dit ook moge zijn, wij moeten de rol die de seksueele teeltkeus zelfs gedurende latere tijden kan hebben gespeeld, niet voorbijzien; want wij weten, dat bij wilden de mannen van de baardelooze rassen zich oneindig veel moeite geven om elk haartje op hun gelaat uit te trekken, als iets onaangenaams, terwijl de mannen van de gebaarde rassen den grootsten hoogmoed over hun baarden gevoelen. De vrouwen deelen ongetwijfeld in deze gevoelens, en indien dit zoo is, kan het moeilijk missen, of de seksueele teeltkeus heeft in den loop van latere tijden eenigen invloed uitgeoefend.27 Het is ook mogelijk, dat de lang voortgezette gewoonte om het haar uit te trekken, erfelijke gevolgen heeft gehad. Dr. Brown-Séquard heeft aangetoond, dat, wanneer sommige dieren op een bijzondere wijze worden geopereerd, hun jongen daardoor worden aangedaan. Nog meer bewijzen zouden kunnen worden geleverd van de erfelijkheid van de gevolgen van verminkingen; maar een voor eenige jaren door den heer Salvin28 ontdekt feit staat meer rechtstreeks in betrekking tot de onderhavige vraag; want hij heeft aangetoond, dat bij de motmots van welke men weet, dat zij gewoon zijn de vlag van de beide middelste staartvederen af te bijten, de vlag van deze vederen van nature eenigszins kleiner is.29 Desniettemin zou bij den mensch de gewoonte van den baard en de haren op het lichaam uit te trekken, waarschijnlijk niet zijn ontstaan, wanneer die niet reeds om de eene of andere reden minder waren geworden.