Note 5 — SECUNDAIRE SEKSUEELE KENMERKEN BIJ DEN MENSCH.—SLOT.
H. (Hermanus) Hartogh Heys van Zouteveen translation
Het is duidelijk, dat, zoolang de paring van den mensch, of van eenig ander dier, aan het toeval wordt overgelaten, zonder dat een der beide seksen een keus uitoefent, er ook geen seksueele teeltkeus kan zijn, en er geen invloed op de nakomelingschap kan worden uitgeoefend, doordat zekere individu’s bij hun vrijage een voordeel over andere hebben. Nu beweert men, dat er nog op den huidigen dag stammen bestaan, die uitoefenen, hetgeen Sir J. Lubbock uit hoffelijkheid communale huwelijken noemt, dat is, dat alle mannen en vrouwen van den stam elkanders echtgenooten zijn. De losbandigheid van vele wilden is ongetwijfeld verbazend groot; maar het schijnt mij toe, dat er meer bewijzen noodig zijn, voordat wij volkomen kunnen aannemen, dat hun bestaande vermenging werkelijk volstrekt algemeen is. Desniettemin gelooven allen die het onderwerp zeer grondig hebben bestudeerd5, en wier oordeel veel meer waard is dan het mijne, dat het communale huwelijk de oorspronkelijke en algemeene vorm over de geheele wereld was, met insluiting van het huwelijk tusschen broeders en zusters. Wijlen Sir A. Smith die groote reizen in Zuid-Afrika had gedaan, en veel wist van de zeden der wilden daar en elders, verzekerde mij ten sterkste, dat er naar zijn meening geen stam bestaat, waarin de vrouw als het eigendom van al de leden daarvan wordt beschouwd. Ik geloof dat dit oordeel in groote mate werd bepaald door den zin dien hij aan het woord huwelijk hechtte. In de hier volgende bespreking zal ik dit woord gebruiken in den zelfden zin als dierkundigen, wanneer zij van éénwijvige (monogame) dieren spreken, waarmede zij bedoelen, dat het mannetje wordt aangenomen door een enkel wijfje, of een enkel wijfje uitkiest en daarmede leeft, hetzij gedurende den paartijd of gedurende het geheele jaar, haar in bezit houdende door het recht van den sterkste; of als zij spreken van een veelwijvige (polygame) soort, bedoelende, dat het mannetje met meer dan één wijfje leeft. Deze soort van huwelijk is het eenige waarmede wij hier hebben te maken, daar zij voldoende is voor de werking der seksueele teeltkeus. Doch ik weet, dat verscheidene der boven aangehaalde schrijvers onder het woord huwelijk een erkend recht, beschermd door den stam, verstaan. De indirecte bewijzen ten gunste dezer meening zijn uiterst sterk en berusten voornamelijk op de namen der graden van bloedverwantschap, die tusschen de leden van den zelfden stam worden gebruikt, en alleen een verwantschap met den stam en niet met een der beide ouders te kennen geven. Het onderwerp is echter te uitgebreid en te ingewikkeld om hier te worden behandeld, en ik zal mij tot eenige weinige opmerkingen bepalen. Het is duidelijk, dat bij communale huwelijken, of daar waar de band des huwelijks zeer los is, de verwantschap tusschen het kind en zijn vader niet bekend kan zijn. Het schijnt echter bijna ongeloofelijk, dat de verwantschap tusschen het kind en zijn moeder ooit volkomen onbekend zou zijn geweest, vooral daar bij de meeste wilde stammen de moeders haar kinderen gedurende langen tijd zoogen. Overeenkomstig hiermede wordt in vele gevallen de afstamming alleen in de moederlijke lijn nagegaan, met uitsluiting van de vaderlijke. In vele andere gevallen echter drukken de gebruikt wordende namen alleen een verwantschap met den stam uit, met uitsluiting zelfs van de moeder. Het schijnt mogelijk, dat de band tusschen de verwante leden van den zelfden barbaarschen stam, aan allerlei soorten van gevaar blootgesteld, zooveel belangrijker zou kunnen zijn, ten gevolge van de behoefte aan wederzijdsche bescherming en hulp, dan die tusschen een moeder en haar kind, dat dit aanleiding gaf om alleen de woorden te gebruiken, die de eerste soort van verwantschappen uitdrukten; doch de heer Morgan is overtuigd, dat deze wijze om de zaak te beschouwen, in geenen deele voldoende is.