Note 27 — SECUNDAIRE SEKSUEELE KENMERKEN BIJ DEN MENSCH.—SLOT.
H. (Hermanus) Hartogh Heys van Zouteveen translation
De heer Sproat („Scenes and Studies of Savage Life”, 1868, blz. 25) oppert ten opzichte van baardelooze inboorlingen van Vancouver’s Eiland het vermoeden, dat de gewoonte om de haren op het gelaat uit te trekken, „van generatie tot generatie voortgezet, wellicht ten laatste een ras zou voortbrengen, dat zich door een dunnen en verstrooiden baardgroei zou onderscheiden.” De gewoonte zou echter niet zijn ontstaan, tenzij de baard reeds ten gevolge van een of andere daarvan onafhankelijke oorzaak zeer was afgenomen. Wij hebben ook geen enkel direct bewijs, dat het bestendig uittrekken van het haar tot eenig erfelijk gevolg zou leiden. Ten gevolge van deze oorzaak van twijfel, heb ik tot dusverre nog geen gewag gemaakt van de door vele uitstekende ethnologen, bij voorbeeld den heer Gosse van Genève, verdedigde meening, dat kunstmatige wijzigingen van den schedel een neiging tot erfelijkheid hebben. Ik wensch dit besluit niet te bestrijden; en wij weten tegenwoordig door Dr. Brown-Séquard’s merkwaardige waarnemingen, vooral die welke onlangs (1870) aan de British Association zijn medegedeeld, dat bij Guineesche biggetjes de gevolgen van operaties erfelijk zijn (5). ↑