Note 21 — SECUNDAIRE SEKSUEELE KENMERKEN BIJ DE VOGELS—SLOT.
H. (Hermanus) Hartogh Heys van Zouteveen translation
Laten wij thans tot de Orde der Struisvogelachtige Vogels overgaan. Het mannetje van den gewonen kasuaris (Casuarius galeatus) zou door iedereen voor het wijfje worden gehouden wegens zijn geringe grootte, de veel minder levendige kleur van de aanhangsels en het naakte vel aan den kop; en de heer Bartlett deelt mij mede, dat in den Londenschen Dierentuin zonder twijfel alleen het mannetje op de eieren zit en voor de jongen zorgt.21 De heer T. W. Wood22 zegt, dat het wijfje gedurende den paartijd een uiterst strijdlustigen aard toont, en dat haar vleeschlappen dan grooter en schitterender worden gekleurd. Evenzoo is ook het wijfje van een van de Emeu’s (Dromaeus irroratus) aanmerkelijk grooter dan het mannetje, en zij bezit een kleinen vederbos, maar is anders in gevederte niet van hem te onderscheiden. Zij schijnt echter, „wanneer zij toornig of op een andere wijze geprikkeld wordt, een grooter vermogen te hebben om, evenals een kalkoensche haan, de vederen van haar hals en borst op te zetten. Zij is gewoonlijk het moedigst en het meest twistziek. Zij maakt een diep, hol, uit de keel voortkomend (gutturaal) geluid, vooral des nachts, dat als een kleine gong klinkt. Het mannetje is slanker gebouwd en is leerzamer; hij bezit ook geen andere stem, dan een onderdrukt sissen als hij toornig is, of een geknor.” Niet alleen volbrengt hij den geheelen plicht der uitbroeiing, maar hij moet de jongen tegen hun moeder verdedigen; „want zoodra deze haar kroost in het gezicht krijgt, wordt zij hevig ontroerd, en schijnt, niettegenstaande den wederstand van den vader, haar uiterste best te doen om het te vernielen. Nog maanden later is het niet geraden de ouders bij elkander te brengen, daar hevige twisten daarvan het onvermijdelijke gevolg zijn, waaruit het wijfje gewoonlijk als overwinnaar te voorschijn komt.”23 Zoodat wij bij dezen emeu een volkomen omkeering hebben niet slechts van de ouderlijke en broei-instinkten, maar van de gewone zedelijke hoedanigheden der beide seksen, daar de wijfjes wild, twistziek en luidruchtig, de mannetjes zacht en goed zijn. Bij de Afrikaansche struisvogels is het een zeer verschillend geval; want het mannetje is iets grooter dan het wijfje, en heeft fraaier siervederen met sterker tegen elkander afstekende kleuren; desniettemin neemt hij den geheelen plicht der uitbroeiing op zich.24