Note 6 — OVER DEN OORSPRONG DER SPRAAK EN TAAL,
H. (Hermanus) Hartogh Heys van Zouteveen translation
Wij kunnen deze vergelijking nog verder uitstrekken. In de eerste jaren eener boschontginning wordt het land meestal bedekt met een weelderige flora van struiken en kruiden, die weder verdwijnt naarmate de boomen die de ontginner er in heeft gezaaid of geplant, opgroeien, totdat eindelijk onder het ondoordringbare bladerdak van het bosch geen struiken of kruiden meer kunnen opkomen en de eenige aanwas in de takvorming der uitverkoren stammen bestaat. Het zelfde heeft plaats met de taal, die in den beginne voor elk nieuw begrip een nieuw geluidsbeeld gebruikte, al bestond dit soms maar alleen in het gebruik van een homonym met een ander accent en een ander gebaar. Dit aanhoudende ontstaan van nieuwe wortelwoorden hield echter langzamerhand bij onderlinge overeenkomst op, toen de taal vaster vormen aannam en de noodzakelijkheid ontstond om bij het uitdenken van een naam voor een nieuw voorwerp dezen te doen aansluiten aan een reeds voorhanden woord en hem zoo voor het algemeen begrijpelijk te maken, daar de taal op dezen trap harer ontwikkeling reeds niet meer uitsluitend door een kleinen kring van menschen maar door een geheel volk werd gebruikt. Zoo ontstond de woordafleiding, doordat men òf het geraamte van het oude woord gebruikte met verandering van klinkers6, òf door de verbinding van woorden tot een samengesteld woord, waarvan de bestanddeelen later samengroeiden, de betrekking tusschen het oude en nieuwe begrip uitdrukte, zooals het geval was bij het vroeger genoemde heer-lijk en dergelijke woorden.7 Zelfs in ééne en de zelfde taal volgde deze woordafleiding echter niet altijd de zelfde wetten. Soms verdrong ook een nieuw voorwerp het oude en nam den naam daarvan aan, evenals bij het ontstaan der nieuwe wapens en der nieuwe versierselen gebeurde.