Note 5 — OVER DEN OORSPRONG DER SPRAAK EN TAAL,
H. (Hermanus) Hartogh Heys van Zouteveen translation
Deze beide groepeeringen nu gaan hand aan hand met de verschillende wijze van organisatie der Europeanen en Aziaten aan de eene en der oorspronkelijke Amerikaansche stammen aan de andere zijde. Bij de eersten heeft men geen ongeorganiseerde menschengroepen en bij gevolg geen ontluikende en weder verdwijnende familietalen, in Amerika echter „staat”, zooals Peschel zich uitdrukt, „de buitengewone verscheidenheid van talen in nauwen samenhang met de ongeregelde levenswijze der zwervende jagerstammen. Waar daarentegen ordelijke maatschappijen bestonden, zooals in het oude Peru, kon de heerschende Quechua-taal zich ook over meer dan 20 breedtegraden uitbreiden.” In Brazilië en Guiana echter, in de onmiddellijke nabijheid van den ouden Peruaanschen Staat, bestaat nu nog de grootst mogelijke spraakverwarring en wordt elke taal slechts door een enkel stammetje begrepen, waarin eerst aan de kusten door den invloed van zendelingen eenige verbetering is gebracht, zoodat nu ééne taal door verscheidene stammen wordt begrepen. Zulk een taal echter is nog altijd zeer bewegelijk en verandert dikwijls. Peschel voert aan, dat bij kleine stammen dikwijls het zelfde plaats grijpt als bij kinderen, die aan verschillende voorwerpen zelf gemakkelijk uit te spreken namen geven, welke het huisgezin overneemt, en zegt, dat (bij Braziliaansche jagers) dit kinderlijke aanwensel tot een gewoonte der volwassenen is geworden, waardoor de afzonderlijke stammen niet alleen door de spoedige ontwikkeling van dialecten onverstaanbaar worden voor hun vroegere taalverwanten, maar bij hen ook ieder uit eigenzinnigheid aan zijn eigen uitspraak vasthoudt. Een omstandigheid die veel bijdraagt tot de groote veranderlijkheid der taal, is het godsdienstige gebruik om den naam van een overledene niet meer te noemen. Zelfs de woorden waarin de zelfde letters voorkomen als in den naam van den overledene, mogen een tijdlang niet worden gebruikt. Zoodra een taal over een groote uitgestrektheid wordt gesproken, bepaalt zich dit tot een zeker tijdsverloop, gedurende ’t welk die woorden in zwang blijven bij de families welke niet tot den doode in betrekking stonden, om later weêr in het algemeen gebruik te worden opgenomen; is er echter alleen van een familietaal sprake, dan raken zij in vergetelheid en moeten er nieuwe voor in de plaats worden genomen.5 Dit gebruik heerscht nu nog onder de Papoea’s op Nieuw-Guinea, de Nieuw-Hollanders, Tasmaniërs, de Masai’s en Zoeloe’s in Oost-Afrika, de Vuurlanders, Abiponers enz. Bij het laatstgenoemde volkje was het de taak der vrouwen nieuwe woorden uit te denken.