Note 1 — over de punten van overeenkomst en van verschil in het maaksel en de ontwikkeling der hersenen bij den mensch en de apen.
H. (Hermanus) Hartogh Heys van Zouteveen translation
Behalve door bovengenoemde primaire en secundaire verschillen wijken het mannetje en het wijfje soms van elkander af door inrichtingen die met een verschillende levenswijze in verband staan; en in het geheel niet, of slechts indirect, betrekking hebben op hun voortplantingshandelingen. Zoo zuigen de wijfjes der Steekmuggen en Dazen (Culicidae en Tabanidae) het bloed van andere dieren uit, terwijl de mannetjes op bloemen leven en aan hun mond geen bovenkaken bezitten.1 Bij sommige soorten van Nachtvlinders en Schaaldieren (b.v. Tanais) hebben alleen de mannetjes onvolkomen, gesloten monden en kunnen zich niet voeden. De complementaire mannetjes van sommige Mosselkreeften (Cirrhipedia) leven gelijk woekerplanten hetzij op den vrouwelijken, of op den hermaphroditischen (tweeslachtigen) vorm, en bezitten geen mond, noch tot grijpen geschikte ledematen. In deze gevallen is het het mannetje dat gewijzigd is en zekere belangrijke organen heeft verloren, die de andere leden der zelfde groep bezitten. In andere gevallen is het het wijfje dat dergelijke deelen heeft verloren; zoo bezit bij voorbeeld het wijfje van den glimworm geen vleugels, en het zelfde is het geval met de wijfjes van vele nachtvlinders waarvan vele haar poppehulsel nooit verlaten. De wijfjes van vele parasitische Schaaldieren hebben haar zwempooten verloren. Bij sommige Snuitkevers (Curculionidae) is er tusschen het mannetje en het wijfje een groot verschil in de lengte van den snuit (rostrum)2; de beteekenis van deze en vele dergelijke verschillen begrijpt men echter volstrekt niet. Verschillen in maaksel tusschen de twee seksen, die betrekking hebben op een verschillende levenswijze, zijn over het algemeen tot de lagere dieren beperkt; bij eenige weinige vogels echter verschilt de snavel van het mannetje van dien van het wijfje. Ongetwijfeld staan in de meeste dezer gevallen, maar blijkbaar niet in alle, de verschillen indirect in verband met de voortplanting der soort; zoo zal een wijfje dat een menigte eieren moet voeden, meer voedsel dan het mannetje en derhalve ook bijzondere middelen noodig hebben om zich dat te verschaffen. Een mannelijk dier dat slechts zeer korten tijd leeft, zal zonder schade door onbruik zijn organen om zich voedsel te verschaffen kunnen verliezen, maar het moet zijn bewegingsorganen behouden om het wijfje te kunnen bereiken. Het wijfje kan daarentegen veilig haar organen om te vliegen, te zwemmen of te loopen verliezen, als zij langzamerhand gewoonten heeft aangenomen, die dergelijke vermogens nutteloos maken.