Note 9 — DE BEWIJZEN VAN ’S MENSCHEN AFSTAMMING VAN DEZEN OF GENEN LAGEREN VORM.
H. (Hermanus) Hartogh Heys van Zouteveen translation
Ik heb elders9 zoo uitvoerig over de erfelijkheid gesproken, dat het nauwelijks noodig is daarover iets hieraan toe te voegen. Ten opzichte der overerving zoowel van de geringste als van de meest belangrijke kenmerken is bij den mensch een grooter aantal feiten bekend, dan bij een der lagere dieren; hoewel ten opzichte dezer laatste het aantal feiten al groot genoeg is. Zoo is ten opzichte van de geestvermogens bij onze honden, paarden en andere huisdieren, de erfelijkheid duidelijk genoeg. Behalve bijzondere smaken en gewoonten zijn ook verstand in het algemeen, moed, een goed of een slecht karakter enz. ongetwijfeld erfelijk. Bij den mensch zien wij dergelijke feiten in bijna elke familie; wij weten tegenwoordig door de bewonderenswaardige onderzoekingen van den heer Galton10, dat het genie, hetwelk een verwonderlijk samengestelde vereeniging van hooge vermogens in zich sluit, neiging tot erfelijkheid bezit; en van den anderen kant is het maar al te zeker, dat krankzinnigheid en zwakke geestvermogens eveneens bij bepaalde families veelvuldig voorkomen.