← Table of contents
De afstamming van den mensch en de seksueele teeltkeus, deel 1 (van 2)

Note 48 — DE BEWIJZEN VAN ’S MENSCHEN AFSTAMMING VAN DEZEN OF GENEN LAGEREN VORM.

H. (Hermanus) Hartogh Heys van Zouteveen translation

In 1886 is door de Graaf48 en Spencer49 gelijktijdig aangetoond, dat de zoogenaamde pijnappelklier (epiphyse) in de hersenen het rudiment is van een derde oog, dat bij de vroege voorouders der gewervelde dieren als zoodanig werd gebruikt. Bij sommige fossiele amphibieën (Labyrinthodonten) en hagedissen komt in den schedel een gat voor (een rudiment daarvan is bij de levende dieren dezer klasse de zoogenaamde parietaalopening), waar de gezichtszenuw met de epiphyse was verbonden. Bij de embryo’s der tegenwoordige amphibieën en reptielen begint het derde oog zich als een blaas aan het uiteinde van een veelal lang uitgegroeiden steel te ontwikkelen, maar wordt later door de hersenvliezen geheel van zijn steel gescheiden. De steel verandert daarna in de epiphyse en uit het oog wordt bij de amphibieën de zoogenaamde Stiedasche voorhoofdsklier gevormd, die bij de geboorte onder de epidermis in de lederhuid ligt, terwijl het bij de reptielen als een uit cellen bestaande blaas, die nog pigment en een soort van lens bezit, tusschen de hersenvliezen blijft liggen. Uit den steel ontwikkelt zich na de afsnoering de pijnappelklier. Bij den hazelworm (Anguis fragilis) herinnert de genoemde blaas zeer aan het oog van hoogontwikkelde ongewervelde dieren (b.v. inktvisschen).

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings