← Table of contents
De afstamming van den mensch en de seksueele teeltkeus, deel 1 (van 2)

Note 41 — DE BEWIJZEN VAN ’S MENSCHEN AFSTAMMING VAN DEZEN OF GENEN LAGEREN VORM.

H. (Hermanus) Hartogh Heys van Zouteveen translation

Bij de vierhandigen en eenige andere orden van zoogdieren, in het bijzonder bij de verscheurende dieren, is er een opening aan het benedeneinde van het opperarmbeen, foramen supra-condyloïdeum genaamd, door welke de groote zenuw en dikwijls ook de groote slagader van het voorste lid heêngaan. In het opperarmbeen van den mensch is er, zooals Dr. Struthers41 en anderen hebben aangetoond, doorgaans een spoor van deze opening en somtijds is zij vrij goed ontwikkeld en wordt dan door een haakvormig uitsteeksel van het been en een daaraan verbonden band gevormd. Wanneer deze opening er is, gaat de groote zenuw er altijd door, en dit bewijst duidelijk, dat zij homoloog met een rudiment van het foramen supra-condyloïdeum der lagere diersoorten is. Prof. Turner schat, naar hij mij mededeelde, dat zij aanwezig is bij één percent van de skeletten uit onzen tijd; in oude tijden schijnt zij veelvuldiger te zijn geweest. De heer Busk42 heeft hiervan de volgende bewijzen bijeengebracht: Prof. Broca „vond deze opening bij vier en een half percent van de armbeenderen, die in het „Cimétière du Sud” te Parijs werden verzameld; en in het hol van Orrony, waarvan de inhoud tot den Bronstijd (22) moet worden gebracht, bezaten acht opperarmbeenderen van de twee-en-dertig haar; hij gelooft echter dat deze buitengewone verhouding daaraan is toe te schrijven, dat het een soort van familiegraf was.” De heer Dupont vond, dat 30 percent van de beenderen uit de holen van de Lesse, die tot het Rendiertijdperk (23) behooren, deze opening bezaten; terwijl de heer Leguay in een soort van dolmen te Argenteuil beenderen vond, waarvan vijf-en-twintig percent aldus waren doorboord. De heer Pruner-Bey vond, dat bij de beenderen van Vauréal 26 percent de opening bezaten. Wij mogen hier niet onvermeld laten, dat de heer Pruner-Bey mededeelt, dat die bijzonderheid bij de Guanche-skeletten wordt opgemerkt. (24) Het feit, dat oude rassen in dit en vele andere gevallen, veelvuldiger voorbeelden opleveren van vormen welke op die van lagere diersoorten gelijken, dan de nieuwere rassen, verdient opmerking. (25) Een van de hoofdredenen schijnt te wezen, dat in de lange rij van afstammelingen de oude rassen iets nader bij hun verwijderde op dieren gelijkende voorouders staan dan de tegenwoordige.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings